Het citatenkerkhof

 

Kroniek van R.W.Fassbinders 'Het vuil, de stad en de dood'

1975-2002

 

Loek Zonneveld

 

 

 

Naar aanleiding van de voorstelling van Fassbinders 'Het vuil, de stad en de dood' (het Nationale Toneel, seizoen 2002-2003, regie Johan Doesburg), verscheen de tekst van het stuk opnieuw, in de vertaling van Gerrit Bussink uit 1986. Uitgeverij Signature voegde aan de toneeltekst een uitgebreide documentatie toe. Centraal in die documentatie stond een chronologisch dossier over de uitvoeringsgeschiedenis (of liever de niet-uitvoeringsgeschiedenis) van   deze omstreden toneeltekst.

 

1975

 

 

Rainer Werner Fassbinder (dertig jaar geworden in dit jaar, op dit moment al vijfentwintig films op zijn naam, de voorbije jaren in München, Bremen, Neurenberg, Bochum en Berlijn actief als theaterregisseur) is sinds het begin van dit seizoen aangetreden als co-directeur van het Frankfurter Theater am Turm (TaT), waar hij zijn praktijk van het Action-Theater en het antitheater in München wil voortzetten. Omdat hij blijft filmen en veelvuldig in het buitenland verblijft, wordt zijn verbindtenis aan het TaT geen succes. Hij schoffeert aanhoudend de leden van zijn ensemble, noemt hen 'Dilettanten' en 'Staatsschauspieler' en stuurt vanaf vakantieverblijven regelmatig ansichtkaarten met teksten als 'Doe geen moeite, het heeft toch geen zin'.

Fassbinder kondigt als opening van het seizoen 1975-1976 een 'Frankfurt-Stück' aan, een werkgroep van acteurs en dramaturgen verzamelt materiaal over schandalen in het Frankfurter Westend, over kraakacties en grondspeculatie, over corrupte gemeente-ambtenaren en prostitutie. Fassbinder verklaart de bundel met scenisch materiaal uiteindelijk voor onspeelbaar. Tijdens twee vluchten van New York naar Frankfurt schrijft hij in maart uiteindelijk zelf Der Müll, die Stadt und der Tod (oder Frankenstein am Main), een toneeltekst in elf scènes, gedeeltelijk gebaseerd op Gerhard Zwerenz' roman over Frankfurt, Die Erde ist unbewohnbar wie der Mond (1973), een roman die Fassbinder overigens al in 1974 voor de televisie had willen verfilmen. Het Duitse produktiefonds weigerde de regisseur in dat jaar een subsidie van zeshonderdduizend DM, met als motivatie dat 'het project antisemitische vooroordelen zou kunnen bevestigen en nieuwe vooroordelen van deze aard zou kunnen uitlokken.'

In mei beginnen de leesrepetities, met Fassbinders filmsterren Margit Carstensen (Roma B.), Volker Spengler (Franz B.), Irm Hermann (Emma von Waldenstein) en Kurt Raab (der reiche Jude). De première is voorzien op 20 augustus. Binnen het ensemble is het stuk omstreden, enkele leden brengen de controversiële inhoud naar buiten, Fassbinder neemt ontslag, het bestuur haalt het stuk van het repertoire.

 

1976

 

De tekst van Der Müll, die Stadt und der Tod (nu zonder de ondertitel) verschijnt bij Suhrkamp Verlag in de bundel 'Stücke 3'. Fassbinder zou later hebben beweerd dat de tekst zonder zijn medeweten in de bundel is opgenomen. De eerste oplage (achtduizend exemplaren) wordt op 9 maart aan de boekwinkels geleverd. Op 19 maart verschijnt een recensie in de Frankfurter Allgemeine Zeitung, geschreven door Joachim Fest, uitgever, publicist, en onder meer auteur van de geruchtmakende studie Hitler - eine Biographie (1974). Fest haalt in de FAZ fel uit naar Fassbinders tekst, waarbij hij typeringen gebruikt als 'linker Antisemitismus' en 'moskautreuer roter Faschismus'. De kritiek concentreert zich enerzijds op het onweersproken blijven van (neo)fascistische uitlatingen, anderzijds op het boosaardige karakter van 'der reiche Jude'. In een discussie naar aanleiding van de (latere) verfilming van de tekst (de dialogen in de film zijn vrijwel identiek aan die in het toneelstuk), antwoordt Fassbinder op de vraag waarom hij de rijke jood in het oorspronkelijke script geen naam had gegeven. Fassbinder: 'Die man heeft in de film en in het toneelstuk geen naam nodig wanneer de andere figuren over hem praten. In de gedrukte versie is het een fout, dat wordt veranderd. In de boekpublikatie zal hij een naam krijgen.' Wat ook gebeurt: in de gedrukte versie van het stuk (1976) heet hij: A., genannt der reiche Jude'.

Joachim Fest stelt vast dat er zonder twijfel in Frankfurt misdadigers van joodse afkomst zijn, zoals er ook Joegoslavische, Turkse en niet te vergeten Duitse onderwereldfiguren rondlopen. Dus is het, aldus Fest, inmiddels denkbaar dat er een toneelstuk met een ongunstig joods personage wordt geschreven. Maar: 'Zoals het hier gebeurt, blijft het niet alleen zonder enige literaire waarde, maar het is slechts een goedkope, door ordinaire cliché's geïnspireerde hetze'.

De toneelkritikus van het weekblad Die Zeit, Benjamin Henrichs, noemt Fassbinders stuk 'volstrekt walgelijke theaterliteratuur, maar zeker geen opzettelijk antisemitisch stuk. Wel een stuk waarin fascisten zich prettig zouden kunnen voelen.' In Nederland besteedt het Nieuw Israëlitisch Weekblad op 21 mei aandacht aan de kwestie, en citeert onder meer de voorzitter van de Westberlijnse joodse gemeente, Heinz Galinski, die Der Müll, die Stadt und der Tod een schoolvoorbeeld acht van hoe 'met progressief lijkende parolen door een bepaalde, in de uiterste linkse gelederen thuishorende of daarmee verbonden kring, een beroep wordt gedaan op de laagste instincten. Het is er ook een schoolvoorbeeld van hoe zorgzaam anti-joodse groepsvooroordelen worden gekoesterd, wanneer men van mening is ze in dienst van maatschappijverandering te kunnen stellen. Wij weten wat we aan Fassbinders stuk hebben: het is een voorbeeld van intellectuele en zedelijke onoprechtheid.'

Suhrkampuitgever Siegfried Unseld verdedigt de intenties van Fassbinder, maar distantieert zich van de tekst, die hij vantevoren niet zegt te hebben gelezen. De resterende (6000) exemplaren worden uit de handel genomen en vernietigd. (De tekst wordt in 1978 bij uitgeverij Hanser uitgegeven, en in 1981 en 1991 opnieuw, bij het Verlag der Autoren.) De discussie over het stuk gaat door en wordt, onder meer aan de hand van steeds opnieuw dezelfde citaten uit het stuk, gaandeweg feller. Tijdens een podiumdiscussie in Bochum, 28 november, verdedigt Fassbinder zich aldus: 'Misschien speel ik met vuur, maar joden zouden in Duitsland meer onderwerp van discussie moeten worden. Men weet zo weinig van hen dat velen van mijn generatie slechts naar hen kunnen raden. Dat is net zo slecht als openlijke vijandigheid. Het gebruiken van het oude cliché van de gierige jood als schokeffect is een goede manier om de discussie aan te gaan. Bovendien, het is maar een theaterstuk. En men moet toch de mogelijkheid hebben een thema met gevaarlijke, wellicht aanvechtbare methoden aan te pakken, niet alleen met veilige, anders ontstaat er weer iets doods in het Duitse theaterlandschap. Ik moet op mijn werkelijkheid kunnen reageren zonder ergens rekening mee te houden. Als ik dat niet meer mag, dan kan ik helemaal niets meer.' In een interview met de Washington Post (19 december), gepubliceerd onder de titel 'Rainer Fassbinders Bitter Tears', zegt de auteur: 'I simply wanted to show a reality that exists in Frankfurt, where developers use Jews to do their dirty work because, as jews, they're above criticism.' In een open brief, bedoeld voor de tekstuitgave van het stuk (pas integraal gepubliceerd in het Duitse maandblad Konkret, januari 1986), licht Fassbinder dit morbide misbruik van joden - omdat ze bóven iedere kritiek zouden zijn verheven - nader toe: 'De stad laat het vermeend noodzakelijke strontwerk doen door een, en dat is bijzonder infaam, tot taboe verklaarde jood, en de joden zijn na 1945 in Duitsland tot taboe verklaard, wat zich uiteindelijk moet keren tegen degenen dié hen tot taboe verklaarden, want taboes, daarover is iedereen het toch wel eens, leiden er toe dat het tot een taboe gemaakte, het donkere, geheimzinnige, angst inboezemt en tenslotte tegenstanders oproept.'

Een bijzondere wending krijgt het debat rond Fassbinders tekst middels de verfilming door de bevriende Zwitserse cineast Daniel Schmid, onder de titel Schatten der Engel uitgebracht, met Ingrid Caven als Roma B., Fassbinder zelf als Franz B. (die in de film Raoul heet), en Klaus Löwitsch in de rol van A., genannt der reiche Jude. De film beleeft haar wereldpremière op het internationale filmfestival in Rotterdam, 26 januari. Ellen Waller ziet de film in NRC Handelsblad als een 'smartelijke parabel', B.J.Bertina tekent in de Volkskrant op dat er 'een walm opstijgt uit deze film', W. Wielek-Berg schrijft in Trouw: 'Vreemd en griezelig is Schatten der Engel, fascinerend en afstotend.' Wanneer de film als Zwitserse inzending wordt gedraaid op het filmfestival van Cannes, verlaat de Israëlische delegatie onder protest het festival. Voor de duur van de bioscooproulatie van Schatten der Engel laat Fassbinder het recht op de theateruitvoering - althans in Duitsland - blokkeren. Zo verdwijnt het stuk voor enige tijd naar de planken van archiefkasten. Niet voor lang.

 

1982

 

Tien dagen na zijn 37ste verjaardag, tijdens de eindmontage van wat zijn laatste film zal worden (Querelle), sterft Rainer Werner Fassbinder op 10 juni, tegen vier uur in de morgen, aan een combinatie van onzuivere cocaïne en het slaapmiddel Vesparax. Hij wordt gevonden door de vrouw die al ruim een decennium zijn montage-medewerkster en vriendin is, Juliane Lorenz, de latere oprichtster van de Rainer Werner Fassbinder Foundation in Berlijn. De Münchner politie licht Bildzeitung in ('Der Fassbinder ist Tod, na endlich, die Sau!'), de dood van de cineast is overal groot nieuws, het doodsbericht verdringt Ronald Reagan en zijn staatsbezoek aan Bonn van de voorpagina's ('Dat heeft hij tenminste nog voor elkaar gekregen, zijn laatste daad', schrijft vriend Harry Baer datzelfde jaar in zijn Liber Amicorum, Slapen kan ik als ik dood ben). Op 16 juni wordt Fassbinder gecremeerd. Zijn as wordt begraven op Friedhof Bogenhausen, na wekenlang getouwtrek binnen de Münchner chique: 'Wat doet dat zwijn naast Thomas Mann?' vraagt een ingezonden briefschrijver in de Süddeutsche Zeitung.

In Fassbinders testament zou de passage voorkomen, dat de wereldpremière van Der Müll, die Stadt und der Tod alléén in Frankfurt, óf in een buitenlandse stad (Parijs of New York) mag plaatsvinden.

1984

 

De jonge directeur van de Alte Oper in Frankfurt, Ulrich Schwab, neemt Fassbinders stuk op in de programmering van de Frankfurter Feste, in het najaar. Acteurs en regisseur staan al onder contract, de schrijver Heiner Müller heeft toegezegd als dramaturg. Aandrang om van dit voornemen af te zien legt hij naast zich neer, hij ziet die aandrang als een poging tot censuur. Op 10 juni ontslaat de beheerraad van de Alte Oper (een gemeentelijke instelling) Schwab vervolgens op staande voet. Het ontslag is onderwerp van een drie uur durend debat in de gemeenteraad van Frankfurt. De fracties van CDU en SPD verenigen zich op het argument dat het stuk 'bijval van de verkeerde kant' kan oproepen. De wethouder van cultuur: 'Na Auschwitz kunnen we ons geen misverstanden en naïviteit veroorloven.'

De Haagse Post stuurt reporter Herman Vuijsje naar Frankfurt, zijn reportage verschijnt op 28 juli. Hij vraagt de heer Gauland, woordvoerder van de (op dat moment wegens ziekte verhinderde) Oberbürgermeister, of Shakespeare's De koopman van Venetië ('waarin de jood Shylock een weinig sympathieke rol speelt als inhalige geldschieter') binnenkort ook door een Frankfurter speelverbod zal worden getroffen. Woordvoerder Gauland: 'Nee. Dan kun je zeggen, Shakespeare schreef vóór Auschwitz en niet in het Duits - maar dat is me te glad. Wat mij in dit stuk zo gevaarlijk voorkomt, is dat de Duitsers individuen zijn en de Rijke Jood alleen een type. Verder zijn positieve tegenfiguren, zoals Antonio, die in De koopman van Venetië duidelijk maakt waaróm Shylock zo handelt, nauwelijks uitgewerkt. Een zo moeilijke materie als de verhouding tussen Duitse joden en niet-joodse Duitsers moet je niet botweg vanuit de buik beschrijven, zoals Fassbinder gedaan heeft.'

Tegenstander van het eerste uur, Joachim Fest, in dezelfde reportage: 'Fassbinder was geen antisemiet, maar eruptief-links. Hij heeft de sterk anti-zionistische stemming bij links aangegrepen. Beroepsprovocateur als hij was, vond hij het nu eens tijd om dit taboe te doorbreken. Sehnsucht nach Skandalen. Hij zou nooit de rol van een gemene Turk geschreven hebben. Gastarbeiders zijn voor links immers slachtoffers van het kapitalisme en van Duitse ambtenaren. Voor joden geldt dat blijkbaar niet. Dit linkse antisemitisme vind ik bedreigender dan het oude van rechts. Die paar oude neonazi's, dat stelt niks voor, die kunnen geen terreur maken. Die horen thuis in de dossiers van het politiebureau. Je ziet wie zich nu vóór uitvoering van het stuk hebben uitgesproken. De Vereniging van Schrijvers, die is in hoge mate communistisch, en die zien Israël als de grote irritatiefactor in het Middenoosten. En de Grünen hebben in naam van de Vrijheid van de Kunst geëist dat de "censuur" wordt opgeheven. Ze beschuldigen het gemeentebestuur van een opportunistische houding tegenover de joodse gemeenschap. Waarom? Omdat de Grünen tegen alles zijn! Als ze maar opvallen, verder is het egal. De jonge Duitse generatie is geschiedenisloos. "De jodenmoord interesseert ons niet, de geschiedenis begint met ons'. Barbaars denken vind ik dat.' Fest vindt het, net als in 1976, wel degelijk denkbaar dat er een stuk wordt gespeeld met een negatieve joodse hoofdfiguur: 'Er wás hier tijdens de speculatieboom in het Bahnhofsviertel een zekere vermenging tussen grondspeculanten, het stadsbestuur en een laag van joodse onroerend goedtycoons. Maar Fassbinder heeft er een miserabel stuk over geschreven.'

Dat laatste onderkent ook dr. Haverkampf, op dat moment wethouder van Openbare Werken. Toen het stuk in 1975 geschreven werd, was hij wethouder van Planning in Frankfurt. 'Fassbinder heeft zijn hele Sexualpandemonium erbij gesleept, dat met het onderwerp niets te maken heeft', aldus Haverkampf. En: 'Fassbinder gebruikt ook herhaaldelijk het wandluizen-thema: kleine, zwarte wandluizen overstromen de stad, die onder die plaag siddert en kreunt. Dat beeld is van Goebbels, de nazi-progagandaminister. Als iemand tegen hem zei dat joden toch ook mensen waren, antwoordde hij: Vanzelfsprekend - en wandluizen zijn ook dieren.'

In hetzelfde vraaggesprek erkent wethouder Haverkampf de realiteit waarop Fassbinder de fabel van zijn stuk baseerde: 'Het stadsbestuur was hier in de jaren zestig in handen van sociaaldemocraten, die voor de oorlog veel joodse vrienden hadden en zelf ook zwaar onder het Derde Rijk hebben geleden. Daar was sprake van een groot schuldgevoel, waarbij de joden opnieuw als groep in een aparte positie terecht kwamen. Het waren niet dezelfde joden van voor de oorlog - die zijn als bevolkingslaag niet teruggekeerd. Sommigen van hen waren slachtoffers, anderen hadden nooit geleden, kwamen als Israëli. Die hebben heel goed in de gaten gekregen: hiér valt wat te halen, hiér zitten ze met dat rotsblok van schuldgevoelens om hun nek. Zeker is daarvan toen gebruik gemaakt. Niet alleen door joden. Ook Duitsers gingen eraan mee doen. Banken en architecten gingen erop rekenen dat een joodse makelaar bij de gemeente meer gedaan kon krijgen dan een ander. Zo kreeg je een gruwelijke kringloop.'

Peter Iden, theaterkritikus van de Frankfurter Rundschau, sluit het debat rond het stuk Der Müll, die Stadt und der Tod voorlopig af met de volgende woorden: 'Frankfurt kommt an dem Stück nicht vorbei. Es hat zuviel mit der Geschichte und der Gegenwart der Stadt zu tun, zu viel mit uns allen (und also auch mit den Juden), als dass es einfach weggedrückt werden dürfte.'

Het zullen voorspellende woorden blijken.

1985

 

In het voorjaar, precies tien jaar nadat Fassbinder de repetities aan zijn 'Frankfurt-stuk' afbrak en ontslag nam als co-directeur van het Theater am Turm, wordt de voormalige theaterkritikus en Feuilleton-chef (kunstredakteur) van de Frankfurter Allgemeine Zeitung, Günther Rühle, benoemd tot Intendant (algemeen directeur) van Schauspiel Frankfurt. Op een persconferentie (6 september) wordt hij geconfronteerd met vragen over Fassbinders omstreden stuk. Zijn diagnose is dat het stuk 'een wond' is die 'langzamerhand begint te zweren'. Hij kondigt de wereldpremière van het stuk aan op 31 oktober, in de kleine zaal (Kammerspiel), op een steenworp afstand van het Jüdisches Museum. De twee Frankfurter kranten beginnen onmiddellijk een felle polemiek: Rühle's eigen krant, de FAZ, is tegen, de Frankfurter Rundschau acht uitvoering van het stuk 'eine notwendige Zumutung' (vrij vertaald: een noodzakelijke provocatie, evt. een onafwendbare gotspe). De gemeenteraad houdt op 12 september een hoorzitting én een openbaar debat. Ignatz Bubis, op dat moment voorzitter van de Jüdische Gemeinde Frankfurt, stelt: 'Dieses Stück darf nie gespielt werden'. Overigens wordt vrij algemeen aangenomen, dat Fassbinder zijn personage van A., genannt der reiche Jude, minstens gedeeltelijk naar de persoon van Ignatz Bubis heeft gemodelleerd.

In zijn in juni 2002 verschenen monografie over Fassbinder beschrijft Michael Töteberg het klimaat waarin regisseur Dietrich Hilsdorf, dramaturg Heiko Holefleisch en het ensemble van Schauspiel Frankfurt dat najaar aan de omstreden Fassbinder-voorstelling moeten repeteren: 'Een theaterstuk, waarvan de meeste mensen de tekst niet kennen, waaruit echter wel enkele zeer akelige citaten circuleren, wordt tot gesprek van de dag in de hele stad. De vraag of het tot een opvoering moet komen of juist niet, ontloopt niemand. Men ontmoet kennissen op straat, telefoneert met een vriend, feliciteert die met zijn verjaardag, daarna komt het gesprek steeds opnieuw onvermijdelijk op hét toneelstuk. In de verhitte atmosfeer is tekstanalyse niet gewenst. Het stuk wordt niet meer als literaire tekst gelezen en begrepen, het gevecht om de uitvoering is een politiek feit geworden. De kranten publiceren dagelijks nieuwe stellingnamen uit binnen- en buitenland. In theaters, in kerken, tijdens allerlei forums vindt de publieke discussie plaats. Het thema houdt de Israëlische Knesseth evenzeer bezig als de redaktie van de New York Times, het beïnvloedt zelfs de internationale betrekkingen. Fassbinder war in eine Tabuzone eingebrochen. Aan de hand van zijn stuk ontladen zich emoties, die verwijzen naar verdrongen angsten en ressentimenten, die tot dan toe verborgen waren geweest onder verzoeningsgebaren en Wiedergutmachungs-betalingen. Het stuk heeft een nooit geheelde wond weer opengereten.'

 

Het emotionele, intellectuele en politieke klimaat in Duitsland is ondertussen sinds de eerste controverses rondom Der Müll, die Stadt und der Tot (in 1975/1976) ingrijpend veranderd. Allereerst was daar, januari 1979, de uitzending van de Amerikaanse televisieserie Holocaust (Marvin, Chomsky, 1978), het verhaal van twee families, een 'arische' en een joodse, verteld vanaf 1933, het moment van Hitlers machtsovername, tot aan de vernietiging van de joodse familie in Auschwitz. De overweldigende publieksreactie op de serie was in 1979 net zozeer verrassend als het feit dat het hier een soort massahysterie betrof, naar aanleiding van een door de (linkse) kritiek als Verelendungs-soap gekarakteriseerd Amerikaans Hollywood-produkt.

In 1985 worden voorts de eerste signalen afgegeven, die in kringen van intellectuelen (tussen 1986 en 1989) zullen leiden tot de zgn. Historikerstreit. De deelnemers aan dat debat plaatsen de nazi-genocide in een zodanig ruim historisch kader, dat het unieke karakter ervan door hun analyse wordt versluierd. De nadruk op de anti-communistische of anti-bolsjewistische motivatie in de nationaal-socialistische ideologie, leidt tot de verdediging van de stelling, dat de moord op zes miljoen joden een reactie was op de stalinistische massamoorden in het Rusland van de jaren twintig en dertig. De angst voor de dreiging van een export van de Russische revolutie, het schrikbeeld van een 'joods-bolsjewistische' dreiging, dreef de nationaal-socialisten als het ware 'automatisch' tot de Holocaust. Genocide als verdedigingsreflex, zo luidt in het begin van de jaren tachtig de analyse van enkele Duitse historici. In zijn bijdrage aan de bundel Gegijzeld door het verleden - controverses in Duitsland (2001) schrijft Georgi Verbeeck later, dat binnen de Historikerstreit de Duitse verantwoordelijkheid voor de Holocaust wordt geminimaliseerd 'door de manier waarop die verantwoordelijkheid in de context wordt geplaatst van de Europese cultuurgeschiedenis sinds de Franse revolutie. Maar controversiëler is wellicht nog het feit dat er een argumentatie wordt opgebouwd die gevaarlijk dicht bij de these van "joodse zelfschuld" komt te liggen.' Verbeeck argumenteert dat de deelnemers aan de Historikerstreit vrij makkelijk kan worden verweten dat zij 'wel erg veel belang (en geloof) hechten aan het nationaal-socialistische beeld van de "angst voor het joods-bolsjewistische gevaar". Alsof de nationaal-socialisten dit schrikbeeld niet vooral ideologisch geïnstrumentaliseerd hadden en hun judeofobie niet veel meer op vernietingsdrang dan op angst was gebaseerd.'

In politiek opzicht tenslotte is het klimaat in de Bondsrepubliek Duitsland sinds 1982 vrij ingrijpend veranderd, vooral door het aantreden van de christendemocratische Bondskanselier Helmut Kohl, die in dat jaar de sociaaldemocraat Helmut Schmidt opvolgt. De conservatieve Bondsregering doet vanaf haar aantreden verwoede pogingen om een politiek-correcte formule te vinden om het nazisme binnen de Duitse geschiedenis als het ware 'een plek' te geven. En daarmee als Duitse natie eindelijk uit de slagschaduw van het nazisme te treden en, middels genormaliseerde betrekkingen met de andere landen van de Europese Unie en de NAVO, in de geschiedenis van het Avondland te worden opgenomen, geïntegreerd én volledig geaccepteerd - voor vol te worden aangezien. Velen zien dit streven als een fel omstreden vorm van wat in Duitsland Vergangenheitsbewältigung heet, de baas worden over je eigen verleden. Helmut Kohl doet in 1984 en 1985 twee pogingen om als het ware de symbolische werking van de kniebuiging van kanselier Willy Brandt in het ghetto van Warschau (eind jaren zestig) te keren. In 1984 herdenkt Kohl, hand in hand met de Franse president Mitterand, de doden uit de eerste wereldoorlog bij Verdun. Omstredener is het bezoek van Kohl en de Amerikaanse president Ronald Reagan aan het Wehrmacht-soldatenkerkhof bij Bitburg. Een bezoek waarover een Duitse vrouw in een interview met een Amerikaans televisiestation vertelt: 'Weet U waarom Reagan maar zo kort op het kerkhof in Bitburg bleef? Vanwege de joden.'

Massaal verzamelen de vertegenwoordigers van de joodse gemeente, maar ook van kerkgenootschappen en uit allerlei politieke partijen, zich op 31 oktober 1985, twee uur voor het begin van de voorstelling van Der Müll, die Stadt und der Tod, voor de deuren van het Kammerspielgebouw in Frankfurt. Op de spandoeken staat te lezen: 'Die Stadt frisst ihre Juden, wo sie sie findet' en 'Ein skrupulloser Intendant, ist der schlimmste Spekulant'. De internationale pers is massaal aanwezig, de Duitse televisiezenders berichten live. Vóór de uitvoering begint, bezetten vertegenwoordigers van de joodse gemeenschap het podium en ontrollen een spandoek: 'Gesubsidieerd antisemitisme'. Daniel Cohn-Bendit, voormalig studentenleider, nu gemeenteraadslid voor de Grünen, zelf een joodse jongen, pleit vóór uitvoering van het stuk en wordt als verrader uitgescholden. Literatuurkritikus Marcel Reich-Ranicki, in het auditorium aanwezig om dit 'karakteristieke tijdsdocument' te bekijken, dat hij trouwens omschrijft als 'slordig, weerzinwekkend prutswerk', probeert vergeefs te bemiddelen. Na een debat van twee uur wordt een 'adempauze' van vier dagen ingelast. Daarna volgt een besloten uitvoering, waarbij pers en genodigden kennis kunnen nemen van het stuk. Het verwijt van antisemitisme wordt na deze besloten uitvoering vrij algemeen verworpen, auteur en stuk worden desalniettemin door de tegenstanders van uitvoering niét gerehabiliteerd. Michel Friedman, binnen de joodse gemeente verantwoordelijk voor cultuur, ziet de opvoering van het stuk als een poging 'het verleden te verwerken op kosten van de slachtoffers, als gevolg waarvan de verzoening tussen joden en Duitsers wordt verhinderd. Het stuk is in zijn werking wel degelijk antisemitisch en kan opzettelijk misbruikt worden.'

Het stuk wordt van het repertoire gehaald. Absetzen heet dat in het Duits. De FAZ bericht: 'Die Absetzung kommentierte Bundeskanzler Kohl mit Genugtuung'

Opvallend aanwezig tijdens de Frankfurter protestacties tegen Der Müll, die Stadt und der Tod is een hoog percentage aan joodse jongeren. Zij keren zich tegen de officiële vertegenwoordigers van de Zentralrat der Juden in Deutschland, die steeds diplomatiek en terughoudend zijn geweest tegenover penibele en gevoelig liggende kwesties in Duitsland. De joodse jongeren wensen een hardere houding tegenover iédere vorm van neofascisme en antisemitisme in Duitsland, ook (en zeker) in de verhullende vorm van het zgn. Linksfaschismus.

Voormalige medewerkers en vrienden van Fassbinder zijn, drie jaar na zijn dood, geschokt door de Frankfurter protesten. Zo blijkt uit een artikel uit de Volkskrant van 16 november. Daniel Schmid, regisseur van Schatten der Engel, de verfilming van het stuk (1976), vertelt aan journaliste Ineke van Bergen: 'Wat ik mij bij deze opwinding afvraag is waar dezelfde kranten en mensen waren in de jaren van de Auschwitzprocessen, toen de moordenaars nog voorhanden waren. Joachim Fest van de Frankfurter Allgemeine Zeitung - dezelfde die ooit de aanval op het stuk opende - heeft indertijd een boek over Hitler geschreven, dat waarschijnlijk iets te positief was. Dat heeft hij zelf op een gegeven moment ook wel begrepen. Die man heeft zinnen uit het stuk gehaald van bijfiguren die ondubbelzinnig fascisten voorstellen, en deze geciteerd als meningen van de auteur. Dat is de oudste truuk ter wereld. Hij heeft ook beweerd dat het nieuwe antisemitisme van links kwam. Onzin. Daarbij was Fassbinder niet links. Hij lag wel altijd dwars, een uitzonderlijke figuur in het culturele leven. Zo iemand krijgen ze niet iedere eeuw. Eigenlijk stoorde hij iedereen, en nu wordt hij posthuum terechtgesteld. Dat doet mij, die met hem bevriend was, veel pijn. Ik kan moeilijk de barricade opgaan en zeggen: hij is geen antisemiet geweest - want dan ben je al in de verdediging. Als ik in mijn leven één mens gekend heb die geen vooroordelen had tegen welke minderheid dan ook, dan was hij het. Dat kun je ook in zijn werk zien.' In hetzelfde artikel komt Dieter Schidor aan het woord, producent van Fassbinders laatste film, Querelle: 'Dat ze voor deze hetze juist Fassbinder uitkiezen, die zich in zijn hele werk altijd tegen onderdrukking en uitbuiting heeft uitgesproken, dat stoort me. In veel van zijn films toonde hij naar welke middelen minderheden moeten grijpen om te overleven. En dat die middelen niet altijd aangenaam en positief zijn. Dát is ook het thema van het stuk. Het enige dat je - gezien het verleden - als Duitser moet bekennen is dat zolang één joodse burger zich in dit land gekwetst voelt, je deze gekwetstheid moet respecteren. Die plicht heb ik ook, of ik het nu met de argumentatie eens ben of niet.'

In een speciaal nummer dat het toneeltijdschrift Theater Heute in december 1985 aan de affaire wijdt, schrijft een medewerker: 'Bringt das Stück nun weg von seinem unseligen Frankfurt-Mythos, entlasst auch das Frankfurter Theater aus dem Fassbinder-Komplex!' Wellicht, zo beweert het theatertijdschrift, zal een opvoering in een andere stad, in een ander land, het stuk bevrijden van zijn fatale context.

Die 'bevrijding' zal nog twee jaar op zich laten wachten.

 

 

 

1986

 

'Toen die rel over Fassbinders toneelstuk Der Müll, die Stadt und der Tod in Frankfurt losbarstte, was mijn eerste, simpele, spontane reactie: daar moeten we in de Balie een reading van organiseren. Ook uit eigen nieuwsgierigheid, omdat ik niks van het stuk wist.' Aan het woord is Peter de Baan, theatermaker, in een vraaggesprek met het dagblad Trouw. Hij vervolgt: 'Niet alleen in Frankfurt, dat voor de tweede wereldoorlog een heel grote en belangrijke joodse gemeenschap herbergde, waarvan er maar enkelen de Holocaust hebben overleefd, maar héél Duitsland is natuurlijk een idiote plek voor die links-rechts-discussie over dit stuk. Zeker het huidige Duitsland, waar het nog wemelt van de mensen die zeer fout zijn geweest en die voor een deel nog altijd riante posities bekleden. Je moet dit stuk niet in Duitsland opvoeren zolang er nog één iemand leeft die daar last van heeft. Maar in Nederland vind ik dat je het wel zou moeten doen. Als een opvoering hier ook verstoord zou worden, prima, dat zou ik als een volkomen legitieme demonstratie beschouwen, maar verbieden, in Nederland, in Amsterdam, nee, daar zou ik tegen zijn.'

De openbare lezing van Fassbinders stuk komt er, op 12 januari, in de Balie in Amsterdam. Onder leiding van Peter de Baan lezen acteurs als Marie Louise Stheins, Guusje van Tilborg, Wim Meuwissen, Peter Oosthoek en Roelof den Ambtman in alle rust het stuk. Na afloop van de lezing is er een debat onder leiding van Balie-directeur Felix Rottenberg, met een panel waarin oud-acteur Dick Scheffer, journalist Leo Jacobs, tweede kamerlid Nora Salomons en Joke Kniesmeijer van de Anne Frank Stichting zitting nemen. Het publiek praat mee via vier zaalmicrofoons. De VARA-radio maakt opnamen van zowel de lezing als de discussie (uitgezonden in het programma 'Het zout in de pap' van 20 januari). De Baan: 'Je merkte dat het publiek in steeds sterkere mate gegrepen werd. Verbaasd was ik erover dat de toeschouwers regelmatig lachten om de tekst. Verbijsterd waren we door het applaus aan het slot.' Keurig publiek, nette discussie, bijna zonder wanklank. Volkskrant-medewerker Ruud Gortzak besluit de dag daarna zijn verslag met de zin: 'De vijanden, de ware antisemieten, zaten elders.'

Dezer dagen zendt de VPRO-televisie in afleveringen de negeneneenhalf uur durende documentaire Shoah ('vernietiging') uit, die de Franse cineast Claude Lanzmann tussen 1976 en 1985 draaide. Een overweldigend document over de jodenvervolging en de vernietiging in de concentratiekampen. De film is een reactie op extreem-rechtse bewegingen die beweren dat de gaskamers nooit hebben bestaan. De documentaire bevat geen enkel archiefbeeld, bestaat uitsluitend uit getuigenissen van uiteenlopende mensen. Vooral de verhalen van bewoners van dorpen in de directe nabijheid van de kampen Treblinka, Sobibor en Auschwitz zijn schokkend: terughoudend en karig zijn ze, de óndertoon dat ze wel degelijk wisten wat er gebeurde en ook wel degelijk wisten wáárom ze een andere kant uitkeken, wordt in de film steeds meer de hoofdtoon. Lanzmanns Shoah is het harde antwoord op de Amerikaanse Endlösungs-soap Holocaust uit 1978.

De reacties van enkele pannelleden tijdens de discussie na de lezing van Het vuil, de stad en de dood (in de vertaling van Gerrit Bussink) worden duidelijk gekleurd door het zien van Shoah. Bijvoorbeeld van de gepensioneerde acteur Dick Scheffer ('zeer betrokken vanuit mijn joodse achtergrond'). Een citaat uit zijn bijdrage aan de discussie.

Dick Scheffer: 'Ik denk dat het goed is ervan uit te gaan, dat de toneelmakers in Frankfurt en Fassbinder voorop, integer zijn geweest. Dat ze vooral de bedoeling hadden om - wat ik gemakshalve maar noem - dat verdringsproces over jodenvervolgingen duidelijk te maken. Over antisemitisme kon in Duitsland na de oorlog niet meer gepraat worden. Die zes miljoen doden lagen zo zwaar op het geweten van het Duitse volk ... als je daar maar niet over lult, bestaat het ook niet meer. Nou is dat natuurlijk een heel hypocriete situatie en ik denk dat Fassbinder gewild heeft op zijn eigen, karakteristieke, provocerende en confronterende manier de tongen los te maken. Desnoods door een rel te veroorzaken, maar in ieder geval de mensen weer te laten praten om te voorkomen dat door verdringing dat antisemitisme een soort vulkaanachtige werking zou gaan krijgen in de Duitsers zelf. En dan zou je zeggen: ja, het moet gespeeld worden. En ja, misschien moet het gespeeld worden. Maar tegelijkertijd denk ik, als je nou als toneelmakers vindt dat je dat probleem van verdringing, van pseudo-verwerking aan de kaak wilt stellen, dan moet je je realiseren dat je met een duidelijk niet-joods, Duits probleem bezig bent. Om met Abel Herzberg te spreken: "Het antisemitisme is niet een probleem van de joden, het is een probleem van de niet-joden, van de antisemieten." Dat zelfde geldt voor dit stuk ook. Wanneer je op zo'n keiharde, schokkende en confronterende manier, zoals Fassbinder wil doen, dit probleem gaat aanpakken, op het podium, in het spotlicht, voor zalen met mensen, en je gaat dat probleem - dat niet-joodse probleem - uitvechten over de ruggen van de slachtoffers van de jodenvervolgingen, dan kun je duizend keer gelijk hebben, maar ik geloof dat dat gelijk zich uiteindelijk tegen je keert. En daarom zeg ik: het stuk kan en mag niet in Duitsland gespeeld worden, en ook niet hier. Ik ben in dat standpunt gesterkt na het zien van Shoah. U hebt net gehoord dat mijn hele familie in Sobibor is vermoord. Het is zelfs niet in mijn gedachten opgekomen dat Sobibor de naam van een plaatsje kon zijn, zoveel heb ik die naam vereenzelvigd met vernietiging, dood en verderf. En tot mijn verbijstering zag ik zondagavond in Shoah dat Sobibor, Treblinka stadjes, dorpjes zijn. In de tijd dat mijn ouders, mijn grootouders, mijn familie daar vermoord zijn, hebben daar mensen gewoond en gewerkt en ze hebben het geaccepteerd, en diezelfde mensen zag en hoorde ik zondagavond over de joden en het gebeurde in de kampen spreken op een manier die zó grotesk, zó karikaturaal was, dat ik dacht: dat kan Fassbinder nauwelijks verzinnen. En als Fassbinder de bedoeling heeft gehad om dat te ontzenuwen, dan zeg ik: sorry, Rainer Werner Fassbinder, in deze verworden, verziekte wereld wordt jouw stuk geen ontzenuwing, geen ontkrachting, maar een voedingsbodem voor datzelfde karikaturale, groteske antisemitisme.'

Joke Kniesmeijer van de Anne Frank Stichting had in een Duits televisiedebat over de kwestie een tekst gehoord die haar als de sleutelzin van de hele discussie over het Fassbinder-stuk voorkwam. De toneelkritikus Peter Iden, van de liberale krant Frankfurter Rundschau had tegen Michel Friedman van de joodse gemeente gezegd: 'Ich lass mich von Ihnen nicht länger demütigen' - 'Ik laat me door U niet langer vernederen'. Kniesmeijer: 'Hier was nu de, wat bij de Duitsers zo mooi heet, unbelastete Generation aan het woord, de generatie die gelukkig ná de oorlog geboren is, die een soort innerlijke bevrijding beleeft in het feit dat men nu publiekelijk een jood een schurk kan vinden. Ik heb geen enkele twijfel aan de integriteit van Fassbinder zelf. Hij heeft op vaak fantastische wijze alle mogelijke troebele roerselen van het Duitse zieleleven blootgelegd. En trouwens, waarom alleen van het Duitse zieleleven? Waarom niet van ons allemaal? Wij zijn geen haar beter. Hij heeft dat gedaan op een groteske wijze die nodig is om dingen nog scherper boven tafel te krijgen. Alleen kom ik er niet onderuit, dat in dit stuk, ook na deze fantastische lezing, bleek dat de motor van al het slechte wat er in de stad gebeurt en die haar onbewoonbaar heeft gemaakt als de maan, de jood is, die vrij luchtig en zonder veel scrupules door het stuk heenwandelt. Hij heeft geen schuldgevoel, hij wil slechts geld verdienen. Dat sterotype kennen we. Helaas! Meestal is het niet zo goed beschreven als Fassbinder het doet. Er zijn weinig nazi-propagandisten die dezelfde vaardige pen als Fassbinder bezitten. Maar dat maakt voor mij in de kern van de zaak niets uit. De kern van de zaak is, dat als dit stuk op het toneel komt, een antisemitisch stereotype wordt bevestigd. Ik geloof dat dat een slechte zaak is.'

Het kamerlid Nora Salomons stelt dat ze opvoering van het stuk niet verstandig vindt, maar dat ze het fundamentele recht op vrijheid van meningsuiting nooit ondergeschikt wil maken aan het risiko om mensen te kwetsen. Leo Jacobs, op dit moment hoofdredacteur van Stad Radio Amsterdam: 'Als een programmamaker bij mij zou komen met het plan dit stuk uit te zenden op de radio, of op de kabeltelevisie en met de vraag komt: vind jij dat als hoofdredakteur, of als mens toelaatbaar, dan is op dit moment mijn antwoord onvoorwaardelijk: ja! Het is een gruwelijk stuk, maar de werkelijkheid is gruwelijk, en ik geloof dat niemand dat beter heeft beseft als Rainer Werner Fassbinder. Het hele stuk is een noodkreet van iemand die wordt gekweld door alles wat hij om zich heen waarneemt, die op den duur nog maar één uitweg ziet, namelijk uit die werkelijkheid wegvluchten. Moet je daar je ogen voor sluiten?' Initiatiefnemer Peter de Baan concludeert: 'Het stuk van Fassbinder is niét antisemitisch. Je kunt hoogstens zeggen: in een ongelukkige opvoering, met een niet-intelligente regie, slecht spel en in een verkeerde omgeving, zou het stuk wel eens antisemitische gevoelens kunnen bevestigen. Maar dan kan ik nog wel een aantal stukken opnoemen waarmee dat kan.'

Het Bauturmtheater in Keulen plant een openbare lezing van het stuk op 1 februari. Na protesten van onder meer Ludwig von Rautenstrauch, voorzitter van de Keulse vereniging van joods-christelijke samenwerking, wordt de lezing afgelast.

 

Kort voor de openbare lezing van Het vuil, de stad en de dood in de Balie, maakt de Haagse Stichting BZZTôH, uitgever van onder andere het BZZLLETIN, bekend voornemens te zijn de vertaling van het stuk in boekvorm uit te brengen. Het boek moet in februari, in een oplaag van 2500 exemplaren, in de winkel liggen. Tegen dit voornemen wordt onmiddellijk protest aangetekend, onder meer door R. Naftaniël, directeur van het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI). 'Wij zijn er, na de protesten in Frankfurt, zeker geen voorstander van dit stuk nu in boekvorm in de Nederlandse taal uit te geven. Als het een vertaling is van de letterlijke tekst van Fassbinder, zonder enig commentaar, zullen wij het boek ter beoordeling voorleggen aan justitie met de vraag te onderzoeken of uitgave van het boek strafbaar is.' Zover komt het niet. De uitgever heeft twee lange gesprekken met onder meer R. Naftaniël en rabbijn Awraham Soetendorp van de joodse gemeente in Amsterdam, waarbij vertaler Gerrit Bussink aanwezig is. Besloten wordt uiteindelijk tot een eenmalige uitgave van 1000 exemplaren, voorzien van een nawoord van de vertaler. Door een technische fout ontbreekt in de uitgave één complete pagina uit de slotscène van het stuk.

In het Naschrift bij zijn vertaling van het stuk neemt Bussink een document op van de hand van Fassbinder, dat eerder (1976) in sterk bewerkte vorm door uitgeverij Suhrkamp openbaar was gemaakt. Eind 1985 werd de originele versie van Fassbinders verklaring in zijn nalatenschap teruggevonden. De tekst luidt als volgt.

 

'Mijn toneelstuk Het vuil, de stad en de dood wordt verweten dat het "antisemitisch" zou zijn. Onder het voorwendsel van dat verwijt wordt er door afzonderlijke groepen iets uitgevochten waarvan ik de bedoeling en de consequenties nog niet kan begrijpen, maar dat met mij en met mijn toneelstuk niets te maken heeft. Wat het toneelstuk betreft: onder het grote aantal figuren in deze tekst bevindt zich ook een jood. En dat is niet toevallig, zeker niet. Die jood is rijk, is makelaar, draagt ertoe bij de stad ten nadele van de mensen te veranderen; uiteindelijk voert hij echter toch alleen maar dingen uit die weliswaar door anderen werden geconcipieerd, maar waarvan de verwezenlijking consequent wordt overgelaten aan iemand op wie zo'n taboe rust dat hij onaantastbaar lijkt. De plaats waar men die situatie ook in werkelijkheid kan ontdekken, heet Frankfurt am Main. De zaak zelf is niet meer dan een herhaling, hoewel op een ander niveau, van de toestanden in de achttiende eeuw toen de joden alleen maar geldzaken mochten doen. Die geldzaken - vaak de enige mogelijkheid voor de joden om te overleven - leverden in laatste instantie alleen maar weer argumenten aan hen die de joden quasi tot die bezigheid hadden gedwongen. Zij waren de eigenlijke vijanden van de joden. Hier gebeurt nu hetzelfde: de stad laat de zogenaamde noodzakelijke, smerige karweitjes verrichten - en dat is het bijzonder infame eraan - door een jood op wie een taboe rust - en op joden rust sinds 1945 in Duitsland een taboe. Dat heeft een boemerang-effect, want taboes, daar is iedereen het wel over eens, leiden tot angst voor datgene waar dat taboe op rust, en die angst kweekt vijandschap. Om het anders en misschien preciezer te zeggen: de ware antisemieten zijn zij die zich verzetten tegen het blootleggen van die gebeurtenissen, en het zijn hun motieven die men eens nader zou moeten onderzoeken; het zijn mensen die tegen een schrijver en tegen een toneelstuk argumenteren met zinnen die hij heeft bedacht voor zijn figuren - om hen kritiseerbaar en transparant te maken. En natuurlijk komen er in dit toneelstuk ook antisemieten voor. Helaas bestaan ze niet alleen in dit toneelstuk, maar ook in Frankfurt, om maar eens een voorbeeld te noemen. Even natuurlijk geven die figuren - en ik vind het eigenlijk overbodig om dat te beklemtonen - niet de mening weer van de schrijver, wiens houding tegenover minderheden uit de rest van zijn werk eigenlijk toch bekend zou mogen zijn. Juist de hysterische toonzetting van een deel van de discussie rond dit toneelstuk versterkt mijn angst voor een "nieuw antisemitisme" van waaruit ik dit toneelstuk heb geschreven.'

 

In juni komt de Duitse journalist Henryk M. Broder met de als 'onthulling' gepresenteerde mededeling, dat de rel rondom het stuk in 1985 een 'opzetje' is geweest van met name de uitgeverij Verlag der Autoren (waar de tekst van Der Müll, die Stadt und der Tod uiteindelijk is verschenen), teneinde er een slaatje uit te slaan: een affaire is immers goed voor de verkoopcijfers, het toneelstuk als speculatie-object. Broder beweert dat niemand ooit de tekst van het zogenaamde testament van Fassbinder (het stuk zou van de schrijver alleen in Frankfurt haar wereldpremière mogen beleven) onder ogen heeft gehad, en dat het stuk trouwens al een keer buíten Frankfurt is gespeeld, door een amateurgezelschap in Bochum, in 1979, en met de toestemming van Fassbinder. Broder: 'Als dat inderdaad het geval is, dan is het hele circus rond de door Fassbinders testament bestelde première in Frankfurt overbodig geweest. Daarmee is de "Frankfurt-clausule" posthuum ontmaskerd als een pr-truuk van de erflaters, ter verhoging van de marktprijs van de hen ter verkoop staande handelswaar.'

Bij uitgeverij Athenäum in Königstein verschijnt in het najaar het boek Die Fassbinder-Kontroverse oder Das Ende der Schonzeit (de ondertitel betekent zoveel als: de handschoenen gaan uit en we draaien er niet langer omheen), een bundeling van artikelen die in de Duitse pers over Fassbinders controversiële stuk verschenen tussen 12 maart 1976 en 22 februari 1986.

In april 1987 beleeft het stuk overigens vrijwel proleemloos haar wereldpremière in het off-off Broadway theater 'Thieves' (100 plaatsen). Hier wordt het twee maanden achtereen gespeeld. De kritici vinden de enscenering niet goed, enig begrip voor de commotie in Duitsland is er echter niet.

1987

 

Het eerste signaal dat er een Nederlandse variant van 'de Fassbinder-affaire' op handen is, verschijnt op 28 oktober op de voorpagina van de Volkskrant. Toneelredakteur Martin Schouten meldt dat Toneelgroep Baal, op dat moment voor het laatste seizoen de vaste bespeler van het Amsterdamse theater Frascati, het omstreden stuk Het vuil, de stad en de dood niet in haar gebouw opgevoerd wenst te zien. Die opvoering was voorzien in december, in het kader van een bescheiden toernee langs kleine zalen in Nederland. Regisseur is Johan Doesburg. Hij studeert - na vijf jaar een studie theaterregie te hebben gevolgd - met Fassbinders stuk af aan de regisseurs-afdeling van de Amsterdamse Theaterschool. De cast bestaat uit een mix van zestien ervaren acteurs én dilettanten ('liefhebbers', amateurs) naast een even grote groep professionele medewerkers voor onder meer licht, choreografie, dramaturgie, vormgeving. Voor de produktie is verantwoordelijk de Stichting Theaterschoolbedrijf, een aan de Amsterdamse theateropleiding gelieerde rechtspersoon die de professionele voorwaarden creëert voor voorstellingen van afstuderende aspirant-theatermakers. De voorbereidingen voor de voorstelling zijn gestart ná de geslaagde openbare lezing in de Balie in 1986, waarvan Johan Doesburg via de uitzending door de VARA-radio heeft kennisgenomen. De commotie in Frankfurt in 1985 heeft initiatiefnemer Doesburg op de voet gevolgd. De leiding van de regie-opleiding, evenals de directie en het bestuur van de Theaterschool, zijn op de hoogte van het initiatief en steunen het. Formele toestemming voor het project is nooit gevraagd, de studenten van de Theaterschool zijn - binnen de kaders van de Nederlandse grondwet - volledig vrij in de keuze van het materiaal voor hun afstudeervoorstellingen. Wel vinden vanuit de schoolleiding met Doesburg gesprekken plaats waarin duidelijkheid wordt geschapen over de vraag of hij de bedoelingen van het stuk juist inschat en waarin wordt nagegaan of hij niet op sensatie uit is. 'Doesburg heeft ons overtuigd', stelt de adjunct-directeur van de Theaterschool. Later zullen maar liefst drie onderwijsinspecteurs, op last van de Minister van Onderwijs, Wim Deetman, een onderzoek instellen naar de besluitvormingsprocedure bij de Theaterschool. Het uitgebreide rapport blijft geheim, maar de inspecteurs delen hun conclusie in een nagesprek met betrokkenen mee: 'De leiding van de Theaterschool heeft genoeg zorgvuldigheid in acht genomen.'

De eerste tryout ('uitprobeervoorstelling') van Het vuil, de stad en de dood in de regie van Johan Doesburg, is voorzien op 18 november in Theater De Lantaarn te Rotterdam, de geplande première-datum is 20 november, eveneens aldaar.

Waarom de Nederlandse variant van de 'Fassbinder-affaire' niet daar, in Rotterdam losbarst, maar in de Amsterdamse 'theaterstraat' de Nes, is altijd een door nevelen en raadselen omgeven kwestie gebleven. De programmering van Theater Frascati ligt op dat moment in handen van de dramaturg van de hoofdbespeler Toneelgroep Baal, Joost Sternheim. Hij heeft Fassbinders stuk in december op het programma gezet en daarvoor toestemming gekregen van zowel zijn artistiek leider, regisseur Leonard Frank, alsook van het bestuur. Eind oktober wordt die toestemming opeens ingetrokken, naar verluid omdat bestuurslid Victor Halberstadt door zijn vrouw wordt ingeseind over het controversiële karakter van het toneelstuk, en omdat Leonard Frank plotseling een andere mening is toegedaan. Leonard Frank heeft altijd volgehouden dat hij niet alleen van opvatting veranderde op grond van de inhoud van het stuk, maar ook na het zien van meerdere theaterrepetities onder leiding van Doesburg. Nog in een recent interview met NRC Handelsblad (25 februari 2000) stelt Leonard Frank: 'Ik besloot te gaan kijken naar repetities, want met de antisemitische strekking van het stuk kon ik me niet verenigen. Ik werd toen beschouwd als een inspecteur, zo iemand als Gogols De revisor. Voor mij moet het goede stuk op de goede plaats staan, en dat was niet het geval. Ik vond het niet correct dit stuk op dat moment op die plek te laten opvoeren. Zie je het stuk genuanceerd, dan gaat het over de rol van een slechte jood. Zie je het ongenuanceerd, dan is het openlijk antisemitisch van strekking. In beide gevallen bekritiseer ik het stuk, zonder de opvoering te willen verhinderen, maar wel op die plek in Frascati.' In hetzelfde interview vertelt Frank: 'Ik maakte het niemand makkelijk bij Baal. Spaarde mezelf evenmin. Tijdens de repetities van Voor het pensioen van Thomas Bernhard moest ik van de vijand gaan houden. In dat stuk viert een gewezen SS-er elk jaar de verjaardag van Himmler. Op het hoogtepunt steekt hij zich in een nazikostuum. Het stuk was een looien klomp aan mijn voet, toch zetten we door. (...) Jammer dat alle ex-SS-ers en ex-NSB-ers niet protesteerden tegen Voor het pensioen. Maar die mensen leven ongezien en in stilte.' De Nederlandse première van dit stuk van Thomas Bernhard vond plaats op 2 mei 1981, in het Baal-Ytunneltheater, op een steenworp afstand van de grote synogen en het standbeeld van de Dokwerker, waar jaarlijks de Februaristaking wordt herdacht. Johan Doesburg en zijn acteurs hebben overigens altijd ontkend dat Leonard Frank in 1987 ook maar één repetitie aan Het vuil, de stad en de dood heeft bijgewoond. Hij bracht inderdaad één bezoek, kwam niet verder dan de deur van het repetitielokaal, en vertrok meteen weer, met de mededeling dat het voor hem onbestaanbaar was dat dit morbide stuk werd ingestudeerd aan het Hortusplantsoen, slechts enkele meters verwijderd van het standbeeld van de Dokwerker.

In een commentaar op het feitelijk verbod om Fassbinders stuk in Theater Frascati te spelen, schrijft Volkskrant-journalist Martin Schouten: 'Wie het stuk verbiedt, kapt de publieke discussie af over een even heikel als actueel onderwerp: ons aller slechte geweten. Wie zou zich ook maar met een half woord willen associëren met de moordpartij van nazi-Duitsland? Dat slechte geweten maakt zo vatbaar voor chantage met antisemitisme dat een jood, daardoor gedekt, ongestraft zijn gang kan gaan en wie dat toch aan de kaak wil stellen krijgt de goegemeente over zich heen, die daarmee alsnog wil aantonen dat ze goed was in de oorlog, althans goed zou zijn geweest en nú - zonder enig risico - in elk geval zeer goed is.'

 

Het Hollandse geweten, het opgepoetste blazoen van goed-ná-de-oorlog - er zijn in de tien jaar vóór 1987, middels een aantal kleine en grote incidenten krassen op ontstaan, die het klimaat tussen joodse en niet-joodse Nederlanders vergaand hebben bepaald. Het jaar 1976 begon met een klein televisie-incident en eindigde met een oorlogsmisdadiger. Begin van dat jaar circuleerden de scripts van enkele afleveringen van een nieuwe KRO-televisieserie, Met goed fatsoen, geschreven door Johnny Speight, de geestelijke vader van de in Nederland populaire televisieserie All in the family, met de beroemde en beruchte verpersoonlijking van het 'gezonde volksgevoel' in de figuur van Archie Bunker. In de jaren zestig was Speight de auteur van het stuk Als er geen zwarten bestonden, moesten ze worden uitgevonden, dat in Mickery is uitgevoerd. De hoofdpersoon van de nieuwe televisieserie grossierde in vulgaire, discriminerende beledigingen jegens alle soorten minderheden, inclusief de joden. De serie werd drie keer uitgesteld, er werd uitgebreid overleg gevoerd (onder meer met rabbijn Awraham Soetendorp), uiteindelijk werd het project afgelast, wegens veronderstelde pijnlijke reacties bij oorlogsslachtoffers. In een commentaar in het Nieuw Israëlitisch Weekblad schreef hoofdredacteur Mau Kopuit: 'Joden hebben lange tenen. Mogen we? Het is de joodse gemeenschap niet kwalijk te nemen, met haar verleden. Juist in deze jaren (spanningen in het Middenoosten, oliecrisis; LZ) komen de geestelijke kwetsuren als reactie op de vervolgingen versterkt naar voren.' Schrijver Johnny Speight reageerde in een kranteninterview nogal laconiek: 'Het is me opgevallen dat jullie nogal overgevoelig zijn met betrekking tot de joden. Door een meestal onderdrukt antisemitisme zitten jullie toch met een fors schuldgevoel.'

De zakenman, kunsthandelaar en verdachte van oorlogsmisdaden Pieter Menten zet eind 1976 Nederland even totaal op zijn kop, door vlak voor zijn arrestatie te vluchten. De vermeende nonchalance van de kant van het Ministerie van Justitie, waar op dat moment de christendemocraat Dries van Agt minister is, verbijstert velen. De joodse publicist Hans Knoop spoort Menten op en brengt hem vanuit Zwitserland terug naar Nederland.

Ernstiger is in de loop van 1976 de affaire van de zogeheten 'niet-jood-verklaringen'. Niet alleen werd bekend dat Nederlandse bedrijven meewerkten aan een Arabische boycot van Israël, die sinds de Yom Kippoer-oorlog en de oliecrisis (1973) van kracht was, maar ook dat Arabische landen eisten dat werknemers die namens westerse landen in de Arabische wereld actief waren, een 'niet-jood-verklaring' ondertekenden. De wolf van antisemitisme in het schaapsvel van antizionisme. Het Centrum voor Informatie en Documentatie Israël (CIDI) organiseerde een Anti-boycot Comité, wat in 1979 leidde tot een aanscherping van het Wetboek van Strafrecht, middels een artikel dat het maken van onderscheid naar ras en herkomst bij de uitoefening van beroep en bedrijf verbood.

Mede naar aanleiding van de commotie rondom de niet-jood-verklaringen stelt NIW-hoofdredacteur Kopuit in hetzelfde jaar (1979) de rol van de media ter discussie: 'In de media wordt vrijer geschreven over joden dan jaren voordien. Even vrij als over Belgen, katholieken en anderen. Maar joden houden niet van die vrijheid ten koste van hen. Zij hebben in de lange geschiedenis geleerd waar deze drempelverlaging toe kan leiden. Het joodse volk, toch al immer gevoelig voor bepaalde uitlatingen, is na de ervaringen van 1933-1945 onder de nazi's overgevoelig geworden. Alles wat niet mee is, is tegen. Waakzaamheid is goed, overdrijven kan ernstig zijn.'

Binnen delen van de joodse gemeenschap werd de oprichting van de Stichting Bestrijding Antisemitisme (STIBA) in 1980 met argusogen bekeken. De STIBA stelde zich tot doel 'het signaleren, inventariseren en publiceren van antisemitische voorvallen, het doen van juridische en politieke stappen, de behandeling van binnengekomen klachten en het geven van educatieve voorlichting.' De STIBA spreekt van antisemitisme wanneer 'dé joden een houding, een standpunt, een geschiedenis, een godsdienstige visie, een opgedrongen plaats in andermans theologie en diverse collectieve eigenschappen toegedicht worden die niet in overeenstemming zijn met álle feitelijkheden, en die zowel denigrerend als declasserend van aard zijn.' Voorzitter van het eerste bestuur van de STIBA (bij notariële acte geïnstalleerd op 16 juli 1980) is de van geboorte Amerikaanse concertpianist Richard Stein. Drie maanden later valt het bestuur al uiteen, onder meer omdat de vertegenwoordiger van het CIDI, directeur Naftaniël, zich niet kan vinden in een van emotionaliteiten vergeven werksfeer. Het CIDI begint vanaf dat moment zelf jaarlijkse rapporten te publiceren over antisemitische incidenten. De joodse opinion leader Mau Kopuit van het NIW is noch over de STIBA, noch over het CIDI-initiatief erg enthousiast: 'Als de STIBA op iedere antisemitische slak zout legt, is het niet denkbeeldig dat men murw en verzadigd is als het onverhoopt noodzakelijk zou zijn, tegen werkelijk antisemitisme op te treden. Bovendien is het een wijdverbreide opvatting dat antisemitisme niet te bestrijden is. Het antisemitisme is de ziekte van de niet-joodse wereld.' En: 'Het CIDI is er voor de joodse gemeenschap. Dat is een traumatische groep. Als je ten onrechte schrijft dat het antisemitisme is toegenomen, is dat voor die mensen verontrustend.'

Vlak voor de affaire rond Fassbinders stuk Het vuil, de stad en de dood in 1987 losbarst, stapelen de incidenten zich op: de commotie rond het pensioen van de nog altijd in neonazi-kringen actieve NSB-weduwe Rost van Tonningen, anti-joodse spreekkoren bij wedstrijden van Ajax, de brochures en pamfletten van het regelmatig wegens antisemitisme vervolgde evangelisten-echtpaar Goeree, de discussie over de vrijlating van de laatste twee Duitse oorlogsmisdadiger die nog in de gevangenis van Breda zitten. En internationaal: de geruchtmakende en onthullende rechtszaken tegen de oorlogsmisdadigers Barbie en Demjanjuk. En de verkiezing van de van oorlogsmisdaden verdachte Kurt Waldheim tot president van Oostenrijk. Richard Steins' STIBA gaat ondertussen door met, zoals Mau Kopuit het uitdrukte 'het inzouten van slakken'. Daaronder valt de strafklacht die juni 1987 wordt ingediend tegen Volkskrant-journalist Jan Blokker, die zich in een groot artikel over Israël ('Veertien staties van de zevende dag') antisemitisch zou hebben uitgelaten. De klacht wordt reeds in augustus geseponeerd.

Eén feit mag hier in het bijzonder niet onvermeld blijven: de invloed van de opgroeiende naoorlogse generatie joden, de 'stille revolutie' van de joodse jongeren in de diaspora. Overal ter wereld - ook in Nederland, in het Noordhollandse Bergen (mei 1984) - worden in de jaren tachtig congressen georganiseerd van wat wordt genoemd 'de tweede generatie' joodse oorlogsslachtoffers. Op een congres in New York (mei 1984), waar 1700 joodse jongeren bij elkaar zijn, spreekt schrijver, kampoverlevende en Nobelprijswinnaar Elie Wiesel de volgende woorden: 'Wij ouders hebben onszelf niet veroorloofd kwaad te worden. Alhoewel we daar reden genoeg toe hadden na de oorlog. Als wij de wereld in brand hadden gestoken uit woede, dan had niemand zich daarover verbaasd. Maar we hebben er de voorkeur aan gegeven te zwijgen in een poging onze wonden te helen. En nu zijn we trots op jullie, onze kinderen. Jullie die wel kwaad zijn geworden over wat tijdens de oorlog is gebeurd. Jullie die veel rationeler en gezonder reageren en het als een plicht voelen om verder te vertellen wat er met jullie familieleden is gebeurd, wat het joodse volk is overkomen in Europa.'

 

november 1987

De werkelijke strijd over het wel of niet opvoeren van Het vuil, de stad en de dood duurt in feite nog geen drie weken - de nasleep neemt veel meer tijd in beslag. Na de achterkamertjes-rituelen in Amsterdam verplaatst de handeling zich vrij snel publiekelijk naar Rotterdam. Per brief van 3 november vraagt de Stichting Bestrijding Antisemitisme (STIBA) aan het College van Burgemeester en Wethouders van Rotterdam, met name aan burgemeester A. Peper en wethouder van kunstzaken J.M. Linthorst, uitvoering van het stuk te beletten. Naast een herhaling van de inhoudelijke bezwaren die in Frankfurt al een rol speelden, voegt STIBA-voorzitter Richard Stein in zijn brief twee argumenten toe: 'Wij merken hierbij op, dat de keuze van dit stuk door student Johan Doesburg als "afstudeerproject" voor zijn studie aan de Amsterdamse Theaterschool naar ons oordeel op sensatie belust is en door maatschappelijke onverschilligheid is bepaald. Als zodanig dient zijn plan tot uitvoering van het stuk als verwerpelijk en provocatief te worden gezien.' En: 'Uit de klachten die ons de afgelopen dagen bereikt hebben, blijkt dat bij opvoering in Rotterdam de mogelijkheid van ongeregeldheden niet uitgesloten is. Gezien de reacties elders zijn wij niet voorshands geneigd om deze mogelijkheid te negeren. Gelet zowel op de inhoudelijke bezwaren tegen het stuk alsmede het element van mogelijke openbare ordeverstoringen verzoeken wij Uw College beleefd maar dringend om de geplande uitvoering van Fassbinders Het vuil, de stad en de dood in De Lantaren te Rotterdam te beletten.'

De Rotterdamse wethouder van kunstzaken Linthorst laat binnen enkele dagen aan burgemeester Peper weten, geen behoefte te hebben aan 'culturele censuur'; de directie van de Theaterschool vraagt in een persbericht aan betrokkenen 'het argument te doen prevaleren boven de emoties'. De emoties lopen echter vrij snel hoog op. Eén voorbeeld uit de talloze die dezer dagen de revue passeren. Het speelt zich rond de acteur Albert Blitz, die in Doesburgs voorstelling A., die de rijke jood wordt genoemd zal spelen. (Dit personage krijgt in Doesburgs voorstelling overigens de naam Abraham, een uitvoering van de makers van een eerdergenoemde wens van Fassbinder zelf). Albert Blitz schrijft op 6 november in NRC Handelsblad, onder de kop 'Ik ben die jood en daarom speel ik in Fassbinders stuk': 'Ik speel dit stuk omdat ik meen, dat het voor joden zin heeft de discussie over antisemitisme in intellectuele kring levend te houden. In andere kringen is deze discussie al bijna niet meer te voeren: bij de wedstrijden van Ajax kan het antisemitisme alleen nog maar met geweld worden tegengegaan - en zonder veel succes, blijkbaar. (...) Ik speel dit stuk omdat het me aangaat. Ik weet alles over de angst die door de oorlog is veroorzaakt, uit eigen ervaring. Angst is een slechte adviseur, die altijd hetzelfde advies geeft; het is toch belachelijk dat je dit nog moet zeggen. Een vooroordeel is moeilijker uit iemands hoofd te krijgen dan een kwaadaardig gezwel.'

De dag daarop, 7 november, krijgt Albert Blitz in dezelfde krant repliek van R.A.Levisson, voorzitter van het bestuur van het Centrum voor Informatie en Documentatie Israël CIDI: 'Wanneer je in een situatie verkeert als die waarin Blitz terecht is gekomen - als jood de rol van een onsympathieke jood te gaan spelen - dan behoor je jezelf twee vragen te stellen. De eerste is: hoe kom ik in die rol bij andere joden over? Die vraag is van belang, want door het spelen van de rol neemt de acteur automatisch de functie van representant van de groep op zich. Dus moet hij zich afvragen: "Wenst de groep zo gerepresenteerd te zijn?" Het antwoord is simpel: de groep wenst dat niet. Het kost mij niet de minste moeite uit te spreken, dat er in mijn ogen aardige en minder aardige joden zijn. Joden zijn ook maar gewone mensen. Maar ik heb geen enkele behoefte om in het kader van een toneelvoorstelling, die uit de aard van de zaak geen onmiddellijk discussie mogelijk maakt, die niet-aardige jood centraal te stellen, in de ijdele hoop, dat anderen zullen gaan beweren, dat niet-aardige joden uitzonderingen zijn. De tweede vraag die men zich in deze situatie behoort te stellen is: kan ik als jood mij ertoe lenen om openlijk, op het toneel, de rot-jood te spelen? Wie een greintje gevoel van joodse eigenwaarde heeft, zal die vraag ontkennend beantwoorden. Zelfs als je vindt, dat - om wat voor reden ook - Fassbinders stuk hier te lande opgevoerd behoort te worden, moet je als jood het spelen van deze rol aan een ander overlaten. Wie als jood deze rol speelt, gooit zijn eer als jood te grabbel. Wie dat niet kan navoelen, dient er rekening mee te houden dat hij mijn eer te grabbel gooit.'

Deze bescheiden wisseling van niet zulke bescheiden argumenten is significant voor het Nederlandse debat in deze dagen. Kort samengevat komt het neer op de controverse tussen de kunstenaar en de bestuurder. De kunstenaar zegt: ik vind dit stuk belangwekkend, ik wil deze rol spelen. De bestuurder stelt daar tegenover: als U dit speelt wordt U een representant van de joden en gooit U alleen al daarom de eerbaarheid en integriteit van álle joden voor de leeuwen. Het problematische van de laatste bewering is gelegen in de expliciete ontkenning van het kunstkarakter dat inherent is aan een toneelstuk en aan een toneelpersonage. Dat misverstand wordt nog eens versterkt door het feit dat het overgrote deel van de bestuurders in de joodse gemeenschap (en in andere kringen van tegenstanders), het complete kunstkarakter van toneelstuk én toneelpersonage(s) niet wenst te kennen, omdat men het volledige stuk niet heeft gelezen, en dat vaak ook weigert. Men bedient zich namelijk aanhoudend van uit hun verband gerukte citaten. En komt op grond van die citaten bijvoorbeeld tot de conclusie dat A., die de rijke jood wordt genoemd, een 'rot-jood' is, wat volgens de theatermakers weer geen recht doet aan de complexiteit van het personage. Maar, zoals een observator van de veldslag in Frankfurt al schreef: 'Tekstanalyse en reflectie op kunst zijn hier niet gewenst.'

Eén van de weinige theatermakers die zich in de discussie mengt, Mickery-directeur Ritsaert ten Cate, zegt (in een ingezonden brief, NRC Handelsblad, 17 november) die reflectie op kunst nu juist wél te willen: 'Mijn interesse gaat het meeste uit naar het "stuk" dat nu als het ware náást het stuk van Fassbinder wordt opgevoerd. Het bijna al te voorspelbare groepsgedrag richt zich feilloos op aspecten die er altijd al toe deden, en die er nóg toe doen, maar die dat groepsgedrag ten onrechte vermengen met de vraag of een stuk wel of niet moet worden opgevoerd en of het wel of niet goed is, wel of niet discriminerend. (...) Het probleem van wel of niet opvoeren van het stuk van Fassbinder had volgens mij een hamerstukje moeten zijn. Natuurlijk moet het stuk worden opgevoerd. En natuurlijk dient ieder weldenkend mens zich af te vragen wat hij of zij kan doen tegen het antisemitisme. Maar laten we dát vooral niet vermengen met theater maken.'

 

In de tweede week van november verscherpt het conflict rond de uitvoering zich ongeveer met de dag. Het opperrabinaat in Den Haag reageert, bij monde van rabbijn L.B. van der Kamp, furieus op de aarzelingen van de gemeente Rotterdam om 'culturele censuur' toe te passen. Van der Kamp: 'Een dergelijke weigering was in het verleden mede aanleiding tot de moord op miljoenen.' In een gesprek van drie joodse organisaties met burgemeester Peper (13 november), stelt de laatste niet over juridische middelen te beschikken om de voorstelling te kunnen verbieden. De burgemeester zegt pas te kunnen optreden indien de openbare orde in gevaar komt. Richard Stein ('Nota bene Rotterdam, de eerste stad die Hitler liet bombarderen, heeft in deze een naam te verliezen') zegt dat de STIBA nu verhaal wil gaan halen bij regering en volksvertegenwoordiging.

Op de dag vóór de eerste Rotterdamse try-out van het stuk, die gepland staat voor 18 november, vinden de eerste interventies van regering én volksvertegenwoordiging daadwerkelijk plaats. Tijdens de Algemene en politieke beschouwingen over de rijksbegroting 1988 in de Eerste Kamer, maakt senator J. Vis (D66) enkele scherpe opmerkingen over de kwestie (geciteerd uit de Handelingen van de Eerste Kamer, d.d. 17 november): 'Het gaat hier om een evident stukje culturele milieuvervuiling. De spelers zouden het stuk niet moeten spelen en het publiek zou weg moeten blijven. In die richting zijn ook beroepen gedaan. Die beroepen onderschrijven wij. (...) Het is niet een kwestie van verbod, maar een kwestie van houding. Het is van belang dat de regering of een minister in deze kwestie laat weten wat zijn houding is. Je kunt in dit soort zaken niet de andere kant uit kijken.' Minister-president Lubbers beperkt zich in deze zitting van de Eerste Kamer tot de opmerking 'dat ik er liever niet teveel woorden aan vuil maak en in ieder geval niet het voornemen heb, een toegangskaartje te kopen.'

Eén van de ministers die 'erover gaat', Korthals-Altes (Justitie), laat in een interview met de AVRO-radio weten dat hij niet begrijpt 'dat iemand zoveel waarde hecht aan dit toneelstuk, dat men het blijkbaar meer waard vindt dan het ontzien van de gevoelens van de joodse gemeenschap in dit land. Ik vind dat na alles wat er gebeurd is, in een deel van míjn mensenleven ook, maar minder dan een mensenleven geleden, met de joodse bevolking van Europa, je niet voorzichtig genoeg kunt zijn met hun gevoelens te ontzien. Ik vind dat ook de opgroeiende generatie dat zou moeten doen.' De minister laat weten het een goede zaak te vinden wanneer men er van afzag dit stuk te brengen. Achter de schermen heeft de Rotterdamse burgemeester Peper een speciale officier van justitie, Mr. C. Lo-Sin-Sjoe, belast met discriminatie-zaken, verzocht te onderzoeken of in deze kwestie strafbare feiten in het kader van het Wetboek van Strafrecht aan de orde zijn. Deze officier heeft de vorige avond (16 november) in het theater een besloten repetitie van Het vuil, de stad en de dood bijgewoond, en overlegt het College van Burgemeester en Wethouders de volgende dag zijn (vooralsnog) vertrouwelijk rapport, waarvan de conclusie luidt dat van strafbare feiten bij deze toneelopvoering geen sprake is.

Het sociaaldemocratische tweede kamerlid H.J. Roethof betoogt op 17 november in een ingezonden stuk in NRC Handelsblad, dat strafbare feiten slechts achteraf toetsbaar zijn, dus pas ná een openbare vertoning. Roethof: 'Voor toneel en film kan er geen sprake zijn van preventieve censuur. Er blijft (uiteraard) wel de mogelijkheid van strafvervolging over uitlatingen, die tijdens een voorstelling zijn gedaan. Maar dat is een procedure achteraf, die zich alleen kan voltrekken als er strafbare feiten zijn gepleegd. Zo zou men in het veronderstelde geval van kennelijke en opzettelijke antisemitische uitlatingen kunnen denken aan artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht, dat het opzettelijk zich beledigend uitlaten over een groep mensen wegens haar ras, godsdienst of levensovertuiging, strafbaar stelt. Maar een formeel oordeel daaromtrent komt dan alleen de onafhankelijke rechter toe. En zo hoort het ook in een democratische rechtsorde.'

Op dezelfde dag (het is nog altijd 17 november, the day before) oordeelt het College van Burgemeester en Wethouders van Rotterdam, overigens op grond van dezelfde argumenten, dat het niet kan ingaan op de verzoeken tot verbod en belemmering van de voorstelling die haar hebben bereikt. 'Wat van ons wordt gevraagd door hen die het stuk willen verbieden, is ingrijpen met het middel van censuur, een wapen dat wij niet kunnen en willen hanteren. Een wapen ook, dat onlosmakelijk verbonden is - los van ieders verantwoordelijkheid voor de wet - met een maatschappij die gelukkig door welhaast iedereen in dit land wordt verfoeid. Het college spreekt de hoop uit, dat ook zij die de opvoering willen verbieden - om redenen die door het college goed worden begrepen en nagevoeld - er begrip voor zullen willen opbrengen, dat het college in een moeilijke en integere afweging het hierboven genoemde standpunt heeft ingenomen.'

 

Op 18 november vertrekken 's middags van het Stadionplein in Amsterdam twee bussen met leden van de joodse jongerenorganisaties Bne Akiwa, Ijar Nederland, Maccabi, de Stichting Sjalhomo, Sjoeche en Zion, verenigd in het voor de gelegenheid geformeerde Comité 'Alle Cohens Aan Dek', onder leiding van Roland Vos. De reis gaat naar de Gouvernestraat in Rotterdam, waar Theater De Lantaarn is gevestigd. Aan het begin van de avond voegen enkele honderden demonstranten zich daar, getooid met fakkels, bij hen. Er worden spandoeken ontrold met teksten als 'UEFA, Wat doet U tegen Fassbinder?', 'Deze Fassbinder mag niet' en het woord 'Kunst', waarbij de letter s is vervangen door het runeteken. Onder de demonstranten bevinden zich R. Naftaniël van het CIDI, Joke Kniesmeijer van de Anne Frank Stichting, de inderhaast van een werkbezoek uit de Verenigde Staten teruggeroepen rabbijn Awraham Soetendorp, rabbijn D. Liliënthal van de Liberaal Joodse Gemeente in Rotterdam, STIBA-voorzitter Richard Stein en de historicus Dr. L. de Jong, die zojuist in het halfzes-journaal van de NOS, heeft verklaard dat het Fassbinder-stuk, dat hij zegt niét te hebben gelezen, overeenkomsten vertoont met de uitlatingen van Julius Streicher, eindredakteur van de antisemitische nazi-krant Der Stürmer. Grote opschudding ontstaat wanneer blijkt dat in de straat antisemitische pamfletten circuleren van het evangelisten-echtpaar Goeree.

Meer dan de helft van de tweehonderd theaterkaarten is opgekocht door leden van joodse jongerenorganisaties. In een programma van de Evangelische Omroep (dezelfde avond uitgezonden) legt de heer K. van Oordt van de vereniging Christenen voor Israël uit, dat hij een poging heeft gedaan om álle kaartjes op te kopen. Veertig agenten fouilleren de toeschouwers bij binnenkomst. Megafoons moeten buiten blijven. Camera's van het NOS-journaal en onder meer de actualiteitenrubriek van Veronica registreren de gebeurtenissen live. De verslaggever van NRC Handelsblad bericht de volgende dag aldus: 'In de zaal hangt enkele minuten voor aanvang van de voorstelling een dreigende stilte, die wordt doorbroken als Simon Cohen, voorzitter van de Nederlands-Israëlitische Gemeente in Rotterdam, het woord tot de zaal richt, om mee te delen dat de belofte om het als antisemitisch gekarakteriseerde stuk niet uit te voeren, door het gezelschap is geschonden. "De directeur van de Amsterdamse Theaterschool en de spelers hebben ons toegezegd, dat ze het stuk niet zouden uitvoeren indien het antisemitische reacties zou uitlokken. Op voorhand zijn al zoveel emoties losgewoeld, dat wij koste wat kost de voorstelling zullen verhinderen." Terwijl zo'n tachtig demonstranten het podium bezetten, kan de directeur van Theater De Lantaarn, Fred van de Hilst, niets anders doen dan de aanwezigen beleefd verzoeken de zaal rustig en waardig te verlaten. Hij garandeert de demonstranten dat er geen sprake zal zijn van een theatervoorstelling.'

De discussie na afloop is fel en wordt gedeeltelijk schreeuwend volvoerd, onder meer door het ontbreken van voldoende zaalmicrofoons. In het gesprek mengt zich ook een van de weinige toneelspelers onder de demonstranten, de acteur Jules Croiset, bij deze try-out aanwezig om zijn afkeer met het stuk te betuigen: 'Ik schaam me hier te moeten staan. Ik schaam me dat antisemitische tendenzen door een dergelijk antisemitisch toneelstuk worden aangewakkerd. Ik sta hier met de hoed op van de toneelspeler en de keppel van de jood, om te zeggen dat ik diep beledigd ben door dit stuk. Wees blij dat er nu mensen kunnen protesteren. Want dat konden we vijftig jaar geleden niet.' De demonstranten willen net zo lang in het theater blijven tot de theatermakers toezeggen alle opvoeringen van Het vuil, de stad en de dood te zullen afgelasten. Overleg tussen rabbijn Awraham Soetendorp en Theaterschooldirecteur Paul Sonke leidt ertoe, dat over die vraag tussen delegaties van de theatermakers en de vertegenwoordigers van de joodse gemeenschap zal worden overlegd, nog diezelfde avond/nacht, én in ieder geval de hele volgende dag.

Die (moeizame) onderhandelingen achter gesloten deuren leiden uiteindelijk op donderdag 19 november tot het initiatief van een besloten voorstelling van het stuk, gepland op op zaterdag 21 november. Leden van joodse organisaties, de kerken, theatermakers en politici zullen de besloten voorstelling bijwonen. In tegenstelling tot het compromis in Frankfurt (1985), zal de pers bij de besloten voorstelling worden geweerd, zulks vooral op voorstel van de delegatie van de joodse gemeenschap. Aanwezigheid van journalisten zou immers het openbare karakter van de voorstelling accentueren, iets waartegen men zich in deze kringen juist verzet. Na afloop is er een eveneens besloten discussie voorzien, daarna zal er door de theatermakers van de voorstelling van Het vuil, de stad en de dood worden besloten, wat er verder met de opvoering moet gebeuren. Het dagblad Trouw meldt de volgende ochtend dat de adjunct-directeur van de Amsterdamse Theaterschool, Rob Weber, tevreden is met het bereikte compromis: 'Wij willen onze integriteit aantonen in het stuk en zijn verheugd dat de joodse gemeenschap op dit voorstel is ingegaan.' Rabbijn Soetendorp uit, in hetzelfde artikel in Trouw, zijn waardering voor de opstelling van de theatermakers: 'Ze begrepen onze pastorale rol om naast de joodse gemeenschap te willen staan.'

NRC Handelsblad schrijft in haar redaktionele commentaar op 19 november: 'Het is te betreuren dat tegenstanders van Fassbinders toneelstuk regisseur en spelers hebben verhinderd hun versie in de openbaarheid te brengen. Alleen een dialoog na zo'n - naar wij aannemen integer bedoelde - theatrale verklaring zou een verzoening van de standpunten kunnen laten ontstaan. (...) Dat de joodse gemeenschap fundamentele bezwaren heeft tegen dit stuk is zeer begrijpelijk. De verhouding tussen het doel van de bewustwording dat Fassbinder heet te beogen, en de schokeffecten waarvan hij zich daartoe bedient, zal voor menigeen in dit land moeilijk te aanvaarden zijn. Het verstoren van theatervoorstellingen is echter een methode met een lelijke historie; in elk geval is de vrijheid van theater aangetast. De actie van tegenstanders heeft geen vragen beantwoord, heeft niets opgelost.'

Het Amsterdamse Parool, voormalige verzetskrant, slaat in haar hoofdredaktionele commentaar een andere toon aan: 'Men kan het besluit om het stuk te gaan spelen niet anders dan stompzinnig noemen en hopen dat het niet tot pogingen komt de serie voort te zetten. De vrijheid van het woord is een groot goed, de mogelijkheid tot artistieke expressie mag niet aan banden worden gelegd, wie beide intenties integer dient, heeft er recht op geprezen te worden. Maar wie daarbij geen rekening houdt met de voorspelbare reacties van al even integere mensen die echter, zo kort geleden nog, in de absolute zin van het woord met uitroeiing bedreigd werden, gedraagt zich maatschappelijk onverantwoordelijk.'

 

Door het angstvallige zwijgen van de overgrote meerderheid van Nederlandse theatermakers en door het feit dat ook de acteurs en de regisseur van de voorstelling zelf er in de openbaarheid het zwijgen toe doen, is het koor der tegenstanders zeer dominant aanwezig in de publieke opinie. Op de dag van de besloten voorstelling en de daarna geplande discussie, zaterdag 21 november (en in de dagen erna) komt daarin enige verandering. Toneelmedewerker Kester Freriks van NRC Handelsblad heeft het stuk gelezen en meldt onder de kop 'Fassbinders "antisemitisme" is één van vele uitingen van stereotype personages": 'Het stuk van Fassbinder is niet meedogenloos uit een gratuite drang meedogenloos over hoeren, dwergen, mannen of joden te schrijven. Het beeldt uit hoe mensen hun wereld kapot redeneren en zich tot hatelijke uitspraken laten verleiden. Ze laten zich leiden door de angst geen greep meer op de omstandigheden te hebben, en die angst is de voedingsbodem voor hun gedrag op de eenzame planeet die aarde heet. De agressiviteit van Het vuil, de stad en de dood vloeit voort uit de volstrekte onverschilligheid van de personages ten aanzien van hun uitspraken. Morele verantwoordelijkheid is hen vreemd. Dat is de boodschap van Fassbinder.'

Vrij Nederland-columniste Tamar (Renate Rubinstein) begint op woensdag 18 november een 'Dagboek Fassbinder' bij te houden (dat de week erna in Vrij Nederland wordt gepubliceerd). In eerste instantie is ze tegen uitvoering. Tamar: 'Roethof pleitte in de NRC van gisteren tegen censuur van dat stuk omdat "volwassenen zelf wel kunnen bepalen wat zij al dan niet willen zien". Een idoot argument vind ik dat. Al zou ik het nooit zien, ik vind het erg dat het uitgevoerd wordt. Het vertonen van een antisemitisch toneelstuk, geschreven door een moderne Duitser, bezorgt aardige mensen slapeloze nachten. Of ze het nou gelezen hebben of niet. (...) Om acht uur het nieuws aangezet. De try-out is niet doorgegaan. Honderden demonstranten. Joodse liederen. Opgekochte kaartjes. Een oude man herinnert aan het bombardement op Rotterdam. Rabbijn Soetendorp heeft het over zijn pastorale plicht. We hebben gewonnen. Jammer dat die lui van Glimmerveen (een rechtsradicale activist; LZ) er niet waren. Dan was de ware aard van dat stuk iedereen duidelijk gemaakt.' De dag daarop telefoneert Renate Rubenstein met een goede vriend, tegen wie ze zegt dat ze wel een oordeel heeft, maar het stuk niet heeft gelezen - 'ik sta dus een beetje zwak'. Binnen enkele uren heeft ze een fotokopie in de bus. Ze leest het in één keer uit. Tamar: 'Twee uur later. Jezus Christus, het is geen antisemitisch stuk! Waarom heeft niemand geschreven wat voor soort stuk het is, waarom deed iedereen alsof dat van de regie afhing, of dat je joods moest zijn of juist niet, om erover te kunnen oordelen? Waarom klonk de verdediging van de opvoering steeds zo huichelachtig? Alsof het om de vrijheid van meningsuiting gaat, waardoor je aan iets lugubers denkt. En hoe vertel ik het aan al die mensen aan wier kant ik sta. Stond? Ze hebben zich vergist. Ze wilden niet onderdoen voor de demonstranten in Frankfurt. Hadden ze maar het voorbeeld van New York gevolgd. Daar wond niemand zich op. En niet omdat Amerikaanse joden "anders" zijn, maar omdat het stuk van Fassbinder niet antisemitisch is. Het is ook geen aanklacht tegen het antisemitisme, tenminste niet expliciet, het is een grimmige constatering ervan. Het lijkt op Brechts Dreigroschenoper, cynisch, sarcastisch, antiburgerlijk. (...) In het stuk van Fassbinder zegt iemand: "Ze hadden hem ook moeten vergassen, ze hadden ze allemaal moeten vergassen, dan zou ik nu beter slapen." Dan kun je roepen: antisemitisme! En van angst en woede slecht slapen. Maar je kunt ook roepen: "Ja, dat hadden jullie wel gewild (en dat is je lekker niet gelukt)." Want we weten toch dat ze álle joden wilden vergassen en hoeveel moeite ze gedaan hebben om de sporen van hun misdaden uit te wissen? De moordenaars zijn niet dood en anders leven hun kinderen nog en niet in levenslang berouw. Daar verandert de Anne Frank Stichting niets aan.'

Op 21 november mengt ook Harry Mulisch zich in de discussie, middels een korte ingezonden brief in de Volkskrant. Hij acht het opmerkelijk dat het stuk al via de lijst van opgevoerde personages door de mand valt. Het betreft hier, aldus Mulisch, immers een groep Duitsers met namen en bijnamen. 'Maar dan plotseling Der reiche Jude. Dit is geen individuele bijnaam, maar een veralgemenende kenschets met een lange geschiedenis. De held van het stuk temidden van al die arme germanen een naam onthouden, en als rijke jood presenteren, is niets anders dan een literaire pendant van moord. (In het voormalige vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau kan men overigens een vitrine bezichtigen met duizenden schoenen erin, overgebleven van het laatste transport namelozen. In de zolen van vrijwel al die schoenen zitten gaten: zo rijk waren die joden dus niet. (...) Heus de morbiditeit van dit stuk is afgrondelijk. Fassbinder heeft niet voor niets zelfmoord gepleegd. Dat siert hem.'

 

Een aantal dagbladen, waaronder Trouw, het Algemeen Dagblad, de Volkskrant en het Parool, melden op deze zaterdag 21 november dat Het vuil, de stad en de dood al sinds 6 november, zónder protesten en mét het predikaat 'niet-antisemitisch' van de kant van de Deense opperrabbijn Melchior, wordt gespeeld in het Huset Theater in Kopenhagen. De NCRV-rubriek 'Hier en nu' brengt er 's avonds een reportage over. Diverse tegenstanders reageren verbijsterd. Jan Blokker schrijft in zijn Volkskrant-collumn (onder de kop 'Denen') dat dit nieuwsfeit hem absoluut niet heeft verbaasd. Blokker: 'Er was eerder (en meer) verzet in Denemarken dan waar ook in Europa. De smerissen die in Nederland passief of actief meededen Anne Frank en andere onderduikers op te sporen, werden in Denemarken bij bosjes door de Gestapo gezocht, gearresteerd en naar concentratiekampen gezonden, want ze hielpen hun Anne Franks. (...) Denemarken had na de oorlog geen prof. dr. L. de Jong nodig, geen Joke Kniesmeijers, geen spastische reacties op mensen die een Palestijnse kennis hebben, en geen beschamende protesten tegen ontaarde toneelstukken als deze week in Rotterdam. Denemarken kon, ongehinderd door een kwaad geweten omtrent meelopers, collaborateurs en verraders, zonder enig probleem de luciditeit herkennen van uitgerekend een Duitse auteur. En natuurlijk. Ze kenden hun pappenheimers al op het moment dat wij nog dachten ze te kunnen pappen en warm houden - dus hebben ze collectief het onderscheid onthouden tussen één korenkorrel en een vloer vol Stürmerkaf. Wij niet. Dat de luciditeit bij ons wordt verboden, is de prijs die we, ook veertig jaar na dato, nog moeten betalen voor het feit dat we fout waren in de oorlog. Of het ooit nog goed met ons komt, mag de goeie God (van wie dan ook) weten. Wel herinner ik me de regels van een joodse dichter die schreef: "Dort wo man Bücher verbrennt, verbrennt man auch am Ende Menschen.'

De regisseur van de Deense voorstelling, Klaus Hoffmeyer, is binnen het actuele Fassbinder-debat een van de eersten die ferm afstand neemt van het idee dat A., die de rijke jood wordt genoemd een protoype is van de karikaturale 'rot-jood'. Hoffmeyer, in een reportage in het Nieuw Israëlitisch Weekblad: 'De rijke jood is nog wel de meest warme persoon in het stuk, met het meeste psychologische inzicht. Aan het eind van het stuk blijkt hij de enige te zijn die er nog enigszins positief uitspringt, de enige die werkelijk liefheeft. Daarnaast beziet hij de gebeurtenissen als overlevende van een concentratiekamp op een afstandelijke manier en begrijpt het best wat er gebeurt. Door gebruik te maken van het systeem, waarbinnen hij geld kan verdienen met duistere praktijken zonder daarvoor gestraft te worden, neemt hij een vreemd soort wraak, door te laten zien waartoe het systeem leidt. Natuurlijk had Fassbinder ook een sympathieke jood kunnen laten zien. Maar hij is een provocerende schrijver en hij gebruikt cliché's, om te tonen dat de vooroordelen tegen joden nog steeds bestaan, in alle lagen van de samenleving. Die cliché's kun je niet weglaten uit een vals soort respect.'

Klaus Rothstein, journalist van de Jôdisk Oritentering, het maandblad van de joodse gemeenschap in Denemarken, heeft de Deense versie van Het vuil, de stad en de dood gezien. In dezelfde NIW-reportage zegt hij: 'Het is een fantastisch stuk. Geen antisemitisch stuk. In tegendeel. Fassbinder heeft een haarscherpe analyse van het Duitse schuldgevoel. Wat de nazi in het stuk eigenlijk zegt is: de jood herinnert mij aan mijn schuld. Hij zorgt ervoor dat ik mezelf moet haten en daarom haat ik hém. Aan de hand van het personage van A., die de rijke jood wordt genoemd, laat Fassbinder zien hoe joden misbruikt worden. Ze worden op laakbare posten gezet door mensen die ervan uitgaan dat na de tweede wereldoorlog niemand een jood ergens de schuld van zal geven. Dat is een moderne vorm van antisemitisme. Degenen die het stuk antisemitisch noemen hebben het stuk niet gezien, of met gesloten ogen.' Rothsteins recensie werd door de hoofdredakteur van Jôdisk Oritentering, Louis Beilin, overigens wél geweigerd. Beilin: 'Ze mogen opvoeren wat ze willen, maar ik wil geen artikel over het stuk in mijn blad, mede uit solidariteit met de joden in Frankfurt.'

De bezoekers aan de besloten voorstelling van Het vuil, de stad en de dood in het Rotterdamse Theater De Lantaarn, staan zaterdagavond 21 november op een zorgvuldig samengestelde genodigdenlijst. De joodse gemeenschap en de Theaterschool hebben een gelijk aantal kaarten ter beschikking gekregen. Wie niet op de lijst staat, wordt bij de dranghekken tegengehouden. Vertegenwoordigers van de pers, zo schrijft het compromis van rabbijn Awraham Soetendorp en Theaterschool-directeur Paul Sonke voor, komen op de lijst niet voor. Het feit dat daar door de organisatie nogal slordig en inconsequent mee wordt omgesprongen, en de nodige verbazing van de kant van individuele journalisten over het uitblijven van een protest tegen deze 'regel' van de kant van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, leidt voor aanvang van de voorstelling tot een pijnlijk incident. Max Arian, redakteur van het weekblad de Groene Amsterdammer, die de hele affaire rondom het stuk vanaf de commotie in Frankfurt op de voet heeft gevolgd, is zeer boos over het weren van journalisten bij de besloten voorstelling, en meldt zich aan de voordeur van Theater De Lantaarn. In zijn weekblad schrijft hij later: 'Want er ligt aan het weren van journalisten een gevaarlijke veronderstelling ten grondslag, namelijk dat de pers en de media alleen maar emoties verhevigen en sensationeel weer zouden geven en niet, door een eigen analyse of oordeel, zinvol aan het inzicht van de partijen bij zouden kunnen dragen. Dat wilde ik Sonke en Soetendorp uitleggen, vandaar dat ik onuitgenodigd door het hek liep en zelf ongewild een kort moment deel van de sensatie werd.' Max Arian wordt die avond, voor het oog van diverse camera's, door vijf agenten overmeesterd, in de handboeien geslagen en in een politiebusje afgevoerd naar een Rotterdams politiebureau, alwaar hij zes uur in een cel wordt ingesloten. Max Arian in de Groene: 'Ik heb de voorstelling gemist, maar in de deur van de Rotterdamse cel was een levensgroot hakenkruis gekrast, dus ik had toch iets om zes uur over na te denken.'

Theater De Lantaarn is deze avond niet alleen aan de buitenkant een vesting, ook binnen is sprake van zware beveiliging - er lopen 'oortjes' en mannen met vervaarlijk opbollende colberts, tot in de kleedkamers van de acteurs. Regisseur Doesburg zegt er achteraf tegen Volkskrant-journalist Marian Buijs het volgende over: 'De spanning was achter en voor het decor om te snijden. Spanning is goed, maar overspanning slaat dood. Dat de acteurs in die sfeer überhaupt hebben kunnen spelen, viel me reuze mee. Er zat een muur tegenover ze van twee groeperingen. Vertegenwoordigers van de joodse gemeenschap en de anderen. Maar die zijn niet per definitie allemaal voorstanders. Er kon absoluut niet gelachen worden. Er is na afloop drie uur gediscussieerd. De emoties vierden hoogtij en men voelde zich grotendeels bevestigd in zijn vooroordelen.'

Dat laatste blijkt als de participanten aan de besloten voorstelling en het daarop volgende debat buiten de beslotenheid treden en aan de (geweerde) journalisten buiten het theater uitgebreid hun verslag doen. In het zondagochtend discussieprogramma van de NOS-televisie, Het Capitool, wordt de discussie nog eens over gedaan, zonder dat ook maar één iemand van de deelnemers aan die discussie van opvatting verandert. Zondagavond blijkt in het VARA-radioprogramma Welbeschouwd de CDA-senator Hanny van Leeuwen nog altijd tégen opvoering, terwijl VARA-voorzitter Marcel van Dam, net als vóór de besloten voorstelling, nog steeds niets tegen een openbare opvoering heeft. Er zijn ook wat opmerkelijke geluiden. Schrijver Adriaan Venema, lid van de adviesraad van de STIBA, meent na afloop niet het idee te hebben dat het stuk onvervalst antisemitisch is. Venema: 'De hele figuur van de rijke jood is voor mij volkomen aanvaardbaar in zijn symboliek.' Cabaretier Freek de Jonge ('De Theaterschool heeft mij zeker op de lijst gezet omdat ze dachten: die is sowieso vóór'), vindt het een uitermate slecht stuk, noemt de makers hoogmoedig, maar stelt dat het stuk niet moet worden verboden: 'Gewoon opvoeren. Alleen moet niemand erheen.' Regisseur Paul Binnerts ('Als er mensen opnieuw geblesseerd raken, moet je besluiten om niet meer te spelen. Dat ben je aan die mensen verschuldigd') is met name onder de indruk van het klimaat in de discussie na afloop: 'Die emoties, die hartstochtelijke kritiek op het stuk en de voorstelling, overvielen me zaterdagavond. Ik zag dat mensen diep gekwetst waren. Letterlijk kapot. Er was ook zo'n verharde tegenstelling tussen vóór en tégen. Publiek dat reageerde met staande ovaties en publiek dat na afloop bleef zitten en alleen maar riep: Gezakt. De regisseur is gezakt.'

Rudolf van den Berg - filmregisseur van documentaires en speelfilms - is tegen een verbod, heeft echter ook veel begrip voor de mensen die de eerste try-out verhinderden en oordeelt over de produktie: 'De voorstelling vind ik zo plat als een dubbeltje. Die jonge regisseur kan denk ik best wel wat. Maar zijn nogal pedagogische bedoeling van het stuk, namelijk om aan te geven dat het anti-fascistisch is, dát heb ik niet kunnen ontdekken. En dan denk ik: flauwekul, die pretenties. An-me-hoela, zo'n voorstelling. Als maar tien mensen in Nederland daar een slapeloze nacht van hebben, dan is het niet waard zo'n voorstelling te spelen.'

Met dat standpunt is Milo Anstadt, oud-televisieregisseur (onder meer van de serie De Bezetting van Dr. L. de Jong) en publicist, blijkens een bijdrage aan de opiniepagina van NRC Handelsblad (gepubliceerd op 24 november), het niet eens. Anstadt schrijft: 'Wordt er werkelijk leed aangedaan door een antifascistisch stuk als dat van Fassbinder? Wat is dat dan voor leed? Soetendorp kan er zich niet van afmaken dat ik het niet zou kunnen navoelen, want ik behoor tot die "slachtoffers" - zij het dat ik mij niet als zodanig wens te laten definiëren. Leed is iets dat je in je hart draagt en waar je niet mee te koop loopt. Het is onwaardig anderen met je leed te willen opzadelen. Natuurlijk besef ik dat er joden zijn die syndromen en neurosen hebben opgelopen. Het is goed dat men deze mensen in alle redelijkheid ontziet. Maar het is volstrekt verkeerd ze in hun onredelijkheid en dwingelandij tegemoet te komen. (...) Om op Fassbinder terug te komen: die heeft de ontbinding van een samenleving en de verwording van mensen geschetst. Waarom moest er "een rijke jood" bij zijn? Omdat tegenover de oude nazi in het stuk, een nobele jood hoogst ondramatisch en banaal had gewerkt. Maar ook omdat het succes van de rijke jood als een prisma moest werken, om het hele spectrum van de fascistische rancune van de oude nazi bloot te leggen. De oude nazi komt er in het stuk ongenadiger af dan de jood. Daarbij blijven alle figuren van Fassbinder marionetten, waarmee hij een gruwelijk en fascinerend spel opvoert.'

 

Zondag 22 november wordt door de theatermakers nog druk overlegd. Maandag 23 november wordt een persverklaring toegelicht. 'Alles overwegend hebben regisseur, spelersploeg en producent besloten nu af te zien van openbare vertoningen van Fassbinders stuk. Binnen de huidige maatschappelijke contekst stellen we vast dat het stuk zich niet in het volle licht van de publieke opinie laat spelen, omdat een spraakmakend deel van die publieke opinie tekst en voorstelling reeds op voorhand en ongezien heeft veroordeeld. Er is overwogen om nog een beperkt aantal besloten voorstellingen te spelen, doch daarover was binnen de groep van spelers, regisseur en producent geen overeenstemming meer te verkrijgen. Omdat met name een deel van de spelersgroep de indruk wenst te vermijden, dat dit stuk binnen onze, de vrijheid van meningsuiting huldigende democratie, slechts klandestien kan worden opgevoerd.'

Nog dezelfde week vinden in het verlengde van de definitieve afgelasting enkele 'incidenten' plaats. De VPRO-radio besluit om op 27 november radio-opnamen van de lezing van Fassbinders stuk (De Balie, januari 1986) opnieuw uit te zenden, ondanks een dreigement van Richard Steins STIBA om daartegen gerechtelijke stappen te ondernemen - die vervolgens ook niet komen. De mensen die indertijd voor de tekslezing verantwoordelijk waren, waaronder regisseur Peter de Baan, vertaler Gerrit Bussink en enkele acteurs, protesteren overigens tegen de heruitzending van de opnamen en betichten de VPRO van 'sensatiezucht'. Op dezelfde dag zendt KRO's actualiteitenrubriek Brandpunt beelden uit van het Fassbinder-stuk in de uitvoering in Kopenhagen. Tot grote teleurstelling van met name rabbijn Soetendorp, besluit het weekblad Haagse Post deze week de complete tekst van Het vuil, de stad en de dood, inclusief de in de boekuitgave uit 1986 ontbrekende pagina, én het nawoord van vertaler Gerrit Bussink, in een oplage van achtentwintigduizend exemplaren (dat betekent: achtentwintig keer de eerste en enige oplage van de boekuitgave) uit te brengen. Hoofdredakteur John Jansen van Galen schrijft in zijn inleiding: 'Op maandag kregen wij te maken met rabbijn Soetendorp. Bij toeval had hij vernomen van ons voornemen tot publikatie en juist dit scheen hem nog het meest te ergeren. Waarom deze "overval"? Waarom hadden wij hem niet eerder gebeld? Het was, eerlijk gezegd, niet in ons opgekomen - omdat wij ons niet bewust waren, of wilden zijn, van het gegeven dat je in Nederland de belangenbehartigers van het jodendom hoort te raadplegen, voordat je iets onderneemt wat ook maar in de verste verte samenhangt met de oorlog. Als we een artikel inzake homoseksualiteit beramen, telefoneren we ook nooit met het COC - tenzij om inlichtingen.'

De week wordt in Elsevier afgesloten door collumnist Karel van het Reve. In een tekst onder de kop 'Ongeacht de inhoud' stelt Van het Reve niet te geloven dat het opvoeren van een toneelstuk waarin antisemitische opmerkingen worden gemaakt, zal leiden tot een nieuw Auschwitz. 'Stel trouwens dat het wel degelijk zo was, dat het ongestraft laten van antisemitische opmerkingen tot een nieuw Auschwitz leidt. Dan zouden er veel meer toneelstukken en boeken moeten worden verboden dan dat ene stuk van Fassbinder.' Van het Reve maakt een bescheiden opsomming (Fagin in Oliver Twist van Dickens, passages en personages bij Schopenhauer, Dostojewski, Marx en Engels, en in Ivanhoe van Walter Scott). Van het Reve: 'Zo kun je doorgaan. Op 11 maart 1933 was Eddy Du Perron op een receptie van de Nederlandse gezant in Parijs. Onder de gasten bevond zich de onlangs overleden dichter-essayist Herman van den Bergh. De volgende dag, in een brief aan zijn vriend Ter Braak, noemt Du Perron die Van den Bergh een "verdomd vervelende en leukerige Jodenjongen". Wat nu? Moeten al die passages verboden worden? Hoe willen de voorstanders van een verbod dat aanleggen? In de vier delen correspondentie Du Perron-Ter Braak dat soort passages uitknippen? Komt een ambtenaar dat bij mij thuis doen of moet ik daar, op straffe van een geldboete, zelf voor zorgen? Of kan ik daar van worden vrijgesteld door een verklaring van de Anne Frank Stichting dat ik bestand ben tegen antisemitische uitlatingen? En als dat allemaal onzin is, als die passages van Schopenhauer en Dickens en Marx en Dostojewski en Du Perron vrijelijk door iedereen gedrukt en gelezen mogen worden, waarom zou Fassbinders stuk dan niet vrijelijk opgevoerd mogen worden?'

Zo lijkt de Nederlandse Fassbinder-affaire te eindigen met een glimlach.

De glimlach zal spoedig veranderen in een kwaadaardige grimas.

 

december 1987

 

Eind november (waarschijnlijk donderdag 26 of vrijdag 27 november, het document is niet gedateerd) ontvangt acteur Jules Croiset thuis een brief van de groepering Nederlandse Fascisten Jongeren Organisatie (NFJO), gericht aan de acteur en zijn gezin. De brief wordt de week erop gepubliceerd in De Telegraaf, overigens ook een van de geadresseerden. De letterlijke tekst luidt (inclusief de tikfouten): 'dit is een eis!!! Als as zaterdag niet in de telegraaf staat: Na er nog eens over nagedacgt te hebben is Jules Croiset toch van mening dat het stuk van die Fassbinder over de JODEN niet slecht is maar juist goed en moet worden opgevoerd!!! Ik ben niet bedreigd en niet onder druk gezet dit te verklaren. Ik meen dit nu gewoon. Zelf zal ik net zo lang niet spelen tot ook dat JOODSE stuk weer gespeeld wordt. Zo niet dan is het uit met de dreigementen, maar dan gaat eerst bij hem en de theaters waar hij toch speelt de beuk (lees bom) erin!!!'

De brief vervolgt (dit deel wordt niet in de Telegraaf, maar wel later in het Nieuw Israëlitisch Weekblad afgedrukt): 'Daarna komen ook Barend van de Vara, Heertje van het Parool en Freek de Jonge aan de beurt. De eerste voorstelling van de jood Croiset die dus niet mag doorgaan is in Alkmaar, aanstaande zaterdag (bedoeld wordt waarschijnlijk zaterdag 28 november; LZ). Wij praten niet namens de spelers of de produktie van dat jodenstuk, ook niet namens de Goeree's, wij spreken namens onszelf, de NFJO, de Nederlandse Fascisten Jongeren Organisatie. Wij zijn zeer militant en delen de mening van menigeen: De joden hebben lang genoeg aan de touwtjes getrokken. Nu moeten ze hun bek eindelijk eens houden. Heil.' Een soortgelijke brief blijkt inderdaad te zijn verzonden aan de hierboven genoemde personen, en tevens aan rabbijn Soetendorp, Paul Sonke, directeur van de Amsterdamse Theaterschool, en aan Cox Habbema, directeur van de Amsterdamse Stadsschouwburg.

Op woensdag 4 en donderdag 5 december berichten alle kranten, televisiejournaals en actualiteitenrubrieken dat de acteur Jules Croiset in België is ontvoerd. Dagblad De Telegraaf rapporteert: 'Hem werd een hakenkruis op de borst getekend. Zijn ontvoerders, twee mannen en een vrouw, schreven ook op zijn arm: 6 miljoen plus 1. De acteur werden cognac en slaapmiddelen toegediend en hij lag gebonden met ijzerdraad urenlang in een grote rioolbuis op een verlaten fabrieksterrein in Charleroi. Toen de kidnappers vertrokken kon Croiset zichzelf bevrijden. Dat heeft een woordvoerder van het parket in Brugge gistermiddag meegedeeld. De kidnappers worden gezocht in antisemitische en fascistische kringen. Croiset is de laatste weken een aantal keren bedreigd. Hij kreeg ook een brief die was ondertekend door een groepering, die zich de Nederlandse Fascisten Jongeren Organisatie noemt, een bij de politie niet bekende beweging. In die brief, die ook bij deze krant werd bezorgd, werd geëist dat Croiset zijn mening zou herzien over het stuk van Fassbinder, Het vuil, de stad en de dood. De Amsterdamse politie werkt op dit moment samen met de Belgische justitie om de drie ontvoerders op te sporen. Politiewoordvoerder Klaas Wilting reageerde geschokt op hetgeen Croiset is overkomen: "Eens te meer wordt duidelijk wat nog onder de bevolking sluimert". Uit het onderzoek is ondertussen gebleken dat de drie die de acteur ontvoerden vrijwel zeker Nederlanders zijn. Zij spraken accentloos Nederlands, reden in een metaalgrijze Citroën DS met een Nederlands kenteken en droegen bivakmutsen en sjaals. Tijdens de lange rit die eindigde bij het plaatsje Marchinne au Pont bij Charleroi was Jules Croiset enige tijd geblinddoekt. Volgens de politie werd hij ook gedwongen inkopen te doen. Waarom de mannen en de vrouw hun slachtoffer plotseling alleen lieten is niet duidelijk. Het gezin van Jules Croiset en enkele kennissen hebben politiebescherming gekregen.'

De 'enkele kennissen' (en hun gezinnen) die politiebescherming krijgen zijn in ieder geval de journalist Frits Barend, de cabaretier Freek de Jonge en de econoom en publicist Arnold Heertje. De laatste neemt uit voorzorg zijn intrek in het Gooise hotel Jan Tabak. Later zegt hij daarover (in de Haagse Post): 'De bedreigingen op zichzelf hebben mij niet emotioneel aangegrepen, wel het feit dat ik in 1987 belandde in een situatie waarvan ik het niet voor mogelijk had gehouden dat die zich in Nederland ooit nog zou voordoen.' Frits Barend, een vriend van Croiset, schakelt een journalist in (Frans Dekkers van de Haagse Post), die beschikt over een uitgebreid netwerk van inlichtingen over hedendaags fascisme. In de eerder geciteerde brief van de NFJO valt Barend en Dekkers vooral op, dat niet over een toneelstuk wordt gesproken, maar dat het woord 'produktie' wordt gebruikt. 'Die brief moet uit de toneelwereld afkomstig zijn', concluderen zij, naar achteraf blijkt bijna profetisch. De politie-onderzoekers zitten klaarblijkelijk ook op die lijn. Het feit dat Jules Croiset zelf de antisemitische conversatie van zijn ontvoerders in de auto onderweg naar Charleroi rechtstreeks in verband brengt met het stuk van Fassbinder, zet de (Amsterdamse) politie op het spoor richting de producenten en makers van de voorstelling Het vuil, de stad en de dood. Met name één acteur uit de voorstelling, die zich in de besloten discussie op 21 november fel had uitgelaten jegens Croiset, prijkt opeens hoog op het lijstje van verdachten.

Later, pas in januari 1988, vertelt Theaterschooldirecteur Paul Sonke tegen drie journalisten van de Volkskrant wat daarvan op sinterklaasavond van 1987 de directe consequenties zijn: 'De politie heeft medewerkers aan het stuk verdacht van een wraakactie tegen Croiset. In dat kader is de politie na de ontvoering met acht man bij ons op de school geweest, waar ze de hele studentenadministratie heeft meegenomen. Ik heb dat tot nu toe niet naar buiten willen brengen, want het is gewoon het werk van de politie om de daders te vinden. Bovendien wilde ik niet als hoofdverdachte naar buiten treden. Er was geen huiszoekingsbevel, maar een rechter-commissaris was bij de actie aanwezig, en die zou er ter plekke een hebben geschreven als ik toestemming had geweigerd. Ik vond het niet opportuun me te verzetten. Bovendien had ik niets te verbergen. De volgende dag ben ik nog uitgebreid verhoord door de politie. Ik kon toen aannemelijk maken dat alle betrokkenen bij de voorstelling op de avond van de ontvoering bij elkaar waren. We bereidden toen de reis voor naar Denemarken, om samen de Deense voorstelling van Fassbinders stuk te gaan zien.' In Rotterdam wordt een echtpaar, in het bezit van een grijze Citroën DS Pallas, enige tijd ingesloten, en - wegens gebrek aan bewijs - weer vrijgelaten.

Er gaat een golf van ontsteltenis door Nederland waarbij de commotie rondom het Fassbinder-stuk verbleekt. De Minister van Justitie overweegt een landelijk opererende officier van jusitie aan te stellen die uitsluitend is belast met de bestrijding van antisemitisme. Hij neemt de ontvoeringszaak en de bedreigingen van joodse gezinnen uiterst serieus. In de Israëlische, invloedrijke krant Haaretz verschijnt een artikel van haar correspondent in Nederland, Henriëtte Boas, waarin de uitbarsting van antisemitisme direct in verband wordt gebracht met de geplande uitvoering van het stuk van Fassbinder. De Israëlische krant Yedioth Achronoth drukt een ongekend felle spotprent af: twee Hollandse molens hebben geen wieken meer, maar hakenkruisen. Een zeer breed samengesteld Comité van Aanbeveling, waarin eerste en tweede kamerleden van alle partijen participeren, naast de vakbonden, de Raad voor Kerken, het Nederlands Auschwitz Comité, leden van de Raad van State, enkele bisschoppen uit de roomskatholieke kerk, talloze individuen en joodse organisaties, organiseert op zaterdag 12 december in de Mozes en Aäronkerk in Amsterdam een manifestatie tegen oplevend antisemitisme. Op de druk bezochte bijeenkomst valt vooral de toespraak van de voorzitter van de Tweede Kamer, Dick Dolman op, die ongekend fel stelling neemt tegen de ontluikende rassenwaan: 'Wij staan op scherp, wij moeten op scherp staan. De ratten komen uit hun holen, zwak maar brutaal.' Maar, zo stelt Dolman, wat zorgen baart zijn niet in de eerste plaats de ratten, maar zij die menen dat 'joden niet zo lichtgeraakt moeten reageren'. Met een directe verwijzing naar de acties rond het omstreden stuk Het vuil, de stad en de dood zegt Dolman: 'Het vuil in de stad moet niet worden gedood, maar voor de rechter worden gebracht.' De manifestatie eindigt met een bomalarm, dat achteraf vals blijkt te zijn. De theatermakers van het omstreden stuk zijn niet aanwezig bij de manifestatie. Zij bevinden zich op dat moment, met Theaterschooldirecteur Paul Sonke, in Kopenhagen, om de Deense opvoering van het stuk te zien, met de acteurs te spreken en de reacties aldaar te peilen.

In de Haagse Post van 12 december slaat hoofdredakteur John Jansen van Galen aan het twijfelen. 'Net waren we nabeschouwend tot de unanieme vaststelling gekomen dat we er goed aan gedaan hadden de tekst van Het vuil, de stad en de dood integraal in HP af te drukken, of de twijfel rees alweer. Hadden we daarmee soms voedsel gegeven aan de antisemitische knokploeg, die de toneelspeler te Brugge overviel om hem in een riool te Charleroi op te sluiten? Als wij Croisets echtgenote opbellen voegt deze ons toe: "Wij moeten maar niet met elkaar praten. Jullie zoeken het verder maar uit met dat Fassbinder-stuk dat jullie zo leuk geplaatst hebben! Dit heeft toch allemaal met elkaar te maken? Ik ga nu naar de synagogedienst. Goedenavond." Enigszins besmuikt nemen wij afscheid en hangen op. Zij wij medeschuldig aan het lot dat Jules getroffen heeft? We draaien het nummer van de Anne Frank Stichting en vragen naar Joke Kniesmeijer, die inderdaad ook vaststelt: "Natuurlijk is er een verband tussen dat stuk en de ontvoering van Croiset. Is hij soms drie maanden geleden ontvoerd als jood?" Inderdaad, er is minstens een verband tussen de rel rond het stuk van Fassbinder en de kidnapping van de acteur.'

Nog geen maand later zal duidelijk worden welk verband.

 

1988

 

Op 5 januari meldt het NOS-journaal dat Jules Croiset heeft bekend de ontvoering in december zelf in scène te hebben gezet. Tevens is hij verantwoordelijk voor een substantieel (maar niet alle) schriftelijke en telefonische bedreigingen van joodse gezinnen, het zijne incluis. De Telegraaf meldt de volgende ochtend: 'In joodse kringen is verbijsterd gereageerd op het bericht dat de acteur zelf dreigbrieven heeft geschreven aan vooraanstaande joden. De dreigementen veroorzaakten in december een ware angstgolf en leidden er zelfs toe dat enkele prominente joden politiebewaking kregen. Croiset, die zelf jood is, heeft bij het parket van justitie in Brugge bekend dat hij de ontvoering heeft verzonnen. De acteur heeft toegegeven zelfs zijn pet en enkele andere kledingstukken te hebben verbrand. Ook heeft hij zichzelf een hakenkruis op de borst geschilderd. Volgens de Amsterdamse officier van justitie, mr. L.de Wit, zal in samenspraak met de Belgische justitie worden besloten of Croiset in ons land wordt vervolgd wegens het doen van een valse aangifte, het uiten van schriftelijke dreigementen en het bezigen van antisemitische taal. Daarop staat een gevangenisstraf van maximaal een jaar.' Mevrouw F. Menko, voorzitter van liberaal religieuze joden in Nederland, reageert op 7 januari op de kwestie in het dagblad Trouw: 'Ik zeg niet: die man is een geboren oplichter, maar ik vind wel dat hij voor zijn daden verantwoordelijk moet worden gesteld. Via de rechter. Het is zo schadelijk wat hij heeft gedaan. Voor hemzelf, zijn gezin, de joodse en niet-joodse gemeenschap. Schade in die zin dat men misschien nu zal zeggen: het is niet erg als mensen zich antisemitisch tonen, want Jules Croiset heeft het ook gedaan. Bovendien worden diegenen die niet aardig over joden denken, bevestigd in hun vooroordeel.'

Tot een rechtszaak zal het overigens niet komen. Nadat Jules Croiset een uitgebreide psychiatrische behandeling heeft ondergaan, ziet het Openbaar Ministerie af van rechtsvervolging. De zaak wordt in de loop van 1989 geseponeerd.

Optredens van Jules Croiset (hij reist door het land met twee soloprogramma's) worden geannuleerd. Croiset zelf is niet bereikbaar voor commentaar. Via zijn advocaat, Mr. L.D.H. Hamer, laat hij op 7 januari in een schriftelijke verklaring het volgende bekend maken: 'Croiset zou het ten zeerste betreuren indien zijn dramatische eenmansactie onbedoelde neveneffecten teweeg brengt. Hij verklaart nadrukkelijk dat zijn handelswijze uitsluitend is ingegeven door een diepe verontrusting over het gegeven dat de Amsterdamse Theaterschool niet toegankelijk bleek voor de waarschuwingen voor het gevaar dat klassieke antisemitische vooroordelen werden opgeroepen door hun Fassbinder-project. Die verontrusting werd nog versterkt doordat in joodse kring diverse bedreigingen werden ontvangen. Het besluit van de Theaterschool om geen publieke voorstellingen van het stuk van Fassbinder meer te geven, maakte aan deze bedreigingen geen eind. Zijn wanhoopsdaad was een poging om door een krachtig signaal de escalatie een halt toe te roepen. Achteraf betreurt Croiset het ten zeerste dat hij in deze naar het verkeerde middel heeft gegrepen.'

In het licht van het 'tijdschema' van wat ondertussen 'de affaire Croiset' is gaan heten, wekt deze verklaring bevreemding. Op maandag 23 november 1987 maakt de Theaterschool bekend van verdere opvoeringen van het Fassbinder-stuk - ook besloten - definitief af te zien. In dezelfde week worden fragmenten uit de Balie-lezing van 1986 op de radio uitgezonden en wordt de integrale tekst van het stuk in de Haagse Post gepubliceerd. Tevens verzendt Croiset zelf in deze week een aantal (welke wél en welke niét, dat is door het seponeren van 'de zaak Croiset' nooit echt uitgezocht) een aantal dreigbrieven aan joodse gezinnen en individuen. Uit wanhoop dáárover - de facto uit wanhoop over zijn eigen handelen - komt Croiset tot de eenmansactie in België. De meeste commentatoren trekken dan ook de conclusie dat dit geen zaak is voor justitie, maar voor psychiaters.

Die mengen zich vrijwel meteen in de publieke discussie over deze kwestie. Professor J. Bastiaans, landelijk bekend door zijn behandeling van mensen met een concentratiekampsyndroom, wijst op het feit dat de acteur - zoon van een joodse vader en een niet-joodse moeder - het tijdens de oorlogsjaren moeilijk moet hebben gehad. Bastiaans (in het dagblad Trouw): 'Bij zulke mensen zie je heel vaak dat ze tussen hun veertigste en hun vijftigste (Jules Croiset is in 1987 49 jaar oud; LZ) helemaal van streek raken, gekke dingen gaan doen. Plotseling spelletjes gaan spelen die ze in hun jeugd niet konden spelen. Dan krijg je grenstoestanden tussen neurose en psychose.' En H. Musaph, emeritis hoogleraar psychologie en psychiatrie, zegt tegen de Volkskrant: 'Hij heeft mensen in de maling genomen, maar zichzelf het meest. Een menselijke tragedie. Het is een bekend verschijnsel dat mensen met een trauma terecht kunnen komen in een systeem van bedenkingen en fantasiëen, die zij zelf voor werkelijkheid gaan houden. (...) Uit een sterke, angstige, chronische situatie worden dingen verzonnen, waarvoor men eigenlijk bang is. Zo kan dat beeld van de riolen uit Warschau komen, waar de Duitsers de joden de riolen in dreven.' Deze uitspraken leiden tot een reactie van de eindredakteur van het Maandblad Geestelijke Volksgezondheid, A.J. Heerma van Voss, op de opiniepagina van NRC Handelsblad (7 januari). Hij spreekt over de psychiatrie als de vleesgeworden Verzachtende Omstandigheid: 'Door hun gretige georeer op basis van krantenkoppen versterken Musaph en Bastiaans het beeld van de psychiatrie als kletswetenschap. Zij gedragen zich als een soort media-automaten, die bij elke druk op de knop het gewenste refrein over de jeugd en de oorlog produceren. In hun ijver om de psyches van passanten te annexeren in hun standaardverhaal, gaan ze daarbij rücksichtslos voorbij aan de schade die is aangericht - zelfs als dat is gebeurd bij de mensen voor wie zij gewoontegetrouw opkomen.'

De ontspannende en relativerende glimlach komt deze dagen van de pratende wereldbolletjes op de voorpagina van NRC Handelsblad: 'Straks blijkt ook dat stuk van die Fassbinder geheel verzonnen te zijn.' En van Ischa Meijer, die de nieuwjaarsborrel van de Amsterdamse Kunstraad in De Balie opent met de oneliner: 'Tussen twee haakjes, het feit dat Jules Croiset zichzelf heeft ontvoerd maakt deze daad niet minder antisemitisch.'

De 'affaire Croiset', ondertussen ook in Amerika voorpagina-nieuws (in The New York Times en de Washington Post), leidt overigens tot een opmerkelijke zwaai van hondertachtig graden bij een krant die tot nu toe steeds fel tégen opvoering van het Fassbinder-stuk is geweest: de voormalige verzetskrant Het Parool. In een hoofdredaktioneel commentaar schrijft deze krant al op 6 januari, de dag na Croisets bekentenis: 'Gisteren heeft Croiset tegenover de Belgische onderzoeksrechter toegegeven dat hij heeft gelogen. Een bekentenis die ondanks alle twijfels verbijstering heeft gewekt. Maar er is meer, want Croiset heeft met zijn larmoyante daad Nederland én de joodse gemeenschap in dit land ernstige schade toegebracht. Aangenomen mag worden dat dit strafrechtelijke gevolgen zal hebben, hoewel het er eerder naar uit ziet dat Croiset rijp is voor de psychiater. Desondanks heeft de kwestie Croiset ook een positieve kant: nadat elke lezer van Fassbinders Het vuil, de stad en de dood heeft kunnen constateren dat in het stuk geen antisemitisme wordt gepropageerd, zijn nu ook de berichten ontkracht dat in Nederland het spook van het antisemitisme de kop zou opsteken. Of om het anders te zeggen: Nederland is niet antisemitischer of racistischer dan Denemarken, Groot-Brittannië of Italië. Tegen deze achtergrond zou het misschien toch een goede zaak zijn, nu alle valse emoties zijn weggeëbd, om alsnog Fassbinders stuk in een Nederlands theater te brengen. Dit in navolging van Denemarken.' Op die gebeurtenis zal het Parool nog dertien jaar moeten wachten.

 

Een aantal publicisten proberen in de weken na Croisets bekentenis te achterhalen wat de motieven van de acteur kunnen zijn geweest. Daarbij doen twee theoriën de ronde: het verlangen ergens bij te horen en het verlangen dóór te acteren, ook als de voorstelling al is afgelopen. Vertolker van de laatste theorie is John Jansen van Galen in zijn artikel 'Het rode lampje - het Croiset complex' (Haagse Post, 12 januari). Hij haalt daarbij een feit aan dat tot dusver niet in de openbaarheid is gekomen. Croiset deed op 19 november 1987 intensief mee aan de onderhandelingen tussen de joodse gemeenschap en de theatermakers, waarin uiteindelijk een akkoord werd gesloten over een besloten voorstelling. In dat seizoen is één van de twee solo's waarmee Croiset als theatermaker door het land trekt, een programma op basis van de Romeinse satiricus Juvenalis, uit het begin van onze jaartelling. Niet van gisteren, heet het programma en er komen behoorlijk wat antisemitische, althans tegen joden gerichte teksten in voor, zoals: 'De stad puilt ervan uit. Er zijn er teveel van. Ons bos mét tempel en fontein wordt nu verpatst aan Joden. En oosterlingen - Grieken, Macedonen, Kleinaziaten, Archipelbewoners - bezetten onze heuvels.' In het programmaboekje bij de voorstelling schrijft Croiset: 'Het belangrijkste wapen dat Juvenalis hanteert is de overdrijving. Hij gaat te ver en overschrijdt de grenzen die een kleinzielige moraal of een bekrompen hypocrisie ons hebben opgelegd. Daarom voelt zijn gehoor zich soms geshockeerd en aangevallen. Wie zich aangesproken voelt of gekwetst, moet bedenken dat de overdrijving vaak het enige middel is om de samenleving wakker te schudden en ons te laten beseffen in wat voor wereld we eigenlijk leven.'

John Jansen van Galen schrijft: 'Croiset heeft voorgesteld om deze solo ten gehore te brengen als proloog bij Fassbinders Het vuil, de stad en de dood. (...) Juvenalis' tekst gaat immers ook over de slechtheid van de mensen, maar deze brengt er een "tegenkleur" in aan, de kleur van de hoop. "Het duurt maar een uurtje" voegt Croiset er nog aan toe.' Tegenover John Jansen van Galen bevestigt Theaterschooldirecteur Paul Sonke Croisets voorstel in de onderhandelingen op 19 november 1987. Sonke: 'Of Fassbinders stuk dan ook achter gesloten deuren opgevoerd had moeten worden is niet duidelijk, want het plan is door ons onmiddellijk afgewezen.' Hier laat zijn geheugen Paul Sonke in de steek, want de theatermakers accepteerden het voorstel van Croiset juist wel, aangezien de acteur een openbare dubbel-voorstelling beoogde, wat voor rabbijn Soetendorp en de overige delegatieleden van de joodse gemeenschap overigens juist de reden was om Croisets voorstel categorisch af te wijzen.

In de discussie na afloop van de besloten voorstelling op 21 november 1987 speelt Croiset opnieuw een prominente rol, met hoogst emotionele getuigenissen over persoonlijk doorstaan oorlogsleed. Waarop regisseur Johan Doesburg antwoordt dat het oorlogsleed 'ook op mijn opvoeding een stempel heeft gedrukt. Maar zoiets kan en mag geen argument zijn in een discussie als deze. Niemand heeft het patent op leed.' Dat, en het feit dat de theatermakers twee dagen later bekend maken de opvoering af te gelasten omdat ze daartoe gedwongen zouden zijn, doet bij Croiset de stoppen doorslaan, zegt ook zijn advocaat Hamer tegen John Jansen van Galen: 'Twee partijen die elkaar met hun argumenten niet kunnen bereiken, dat heeft deze man zo verschrikkelijk geraakt, hij is daarin explosief opgetreden: als men dit niet verstaat, dan moet ik iets uitzonderlijks doen.' De journalist concludeert: 'Het is een ingewikkelde manier om te zeggen, dat Croiset alsnog het gelijk wilde halen dat hij naar zijn gevoel niet gekregen had.'

De tweede theorie, het verlangen ergens bij te horen komt van Renate Rubinstein, columniste Tamar in Vrij Nederland (16 januari). Zij duikt in de ontwikkeling van Jules Croisets joodse identiteit (Tamar: 'Ik heb geen sympathie voor mensen die een beetje jood zijn en dat per se voor honderd procent willen zijn. Ik vind dat kitschig van ze - in de oorlog zouden ze wel anders gepiept hebben.') Tamar leest in een interview met Croiset na zijn eerste bezoek aan Israël, dat de acteur opgetogen zegt het gevoel te hebben tot de moederschoot te zijn teruggekeerd. Tamar: 'Dit was pijnlijk. Het had de vaderzak moeten zijn, en zoals gans Nederland weet, alleen de moederschoot telt bij het jodendom. De arme acteur kon roepen wat hij wilde, joods werd hij er niet van. (...) De arme acteur wou alleen nog maar één rol: voorvechter en martelaar worden van het stijfkoppige volk dat hem niet voor vol aanzag. Voorvechten ging makkelijk en bracht hem ook op de televisie als diep gegriefd en diep voelend persoon. Het martelen echter moest hij helemaal zelf doen. Het bracht hem een kortstondig maar intens succes. Hij en het echtpaar Goeree waren er het levende bewijs van dat antisemieten dat stuk van Fassbinder uitgevoerd wilden zien. Ook hoorde je van dreigbrieven die door de Nederlandse politie au sérieux genomen werden. Alleen die rotbelgen bleven unflappable en praatten over een publiciteitsstunt. Wij niet, wij demonstreerden in de Mozes en Aäronkerk tegen wat Henriëtte Boas in de Israëlische pers een golf van antisemitisme genoemd had.' (Tamar informeert langs haar neus weg of die hersenschim in de Israëlische kranten ondertussen is rechtgezet. Maar dat zal wel niet, Israël heeft op dat moment hele andere zorgen -de eerste Palestijnse Intifada is daar ondertussen uitgebroken.)

De columniste vervolgt: 'De golf van antisemitisme blijkt uiteindelijk te bestaan uit Jules Croiset. Die niet zozeer overspoeld werd door angst voor het antisemitisme als wel door geldingsdrang tegenover het onvermurwbare joodse volk.'

In haar stuk komt Tamar ook nog een opmerkelijke onthulling. Op 10 of 11 december 1987 kreeg ze een lezersbrief van 'de intelligente, en naar zijn naam al aangeeft, joodse Robert Lopes Cardozo'. In die brief uitte deze lezer zijn twijfels over de Croiset-ontvoering. Tamar: 'Hij vond het decor, leeg fabrieksterrein met rioolbuis, een typische acteursfantasie, idem voor het verschijnen onder bedreiging van drie personen met een bivakmuts, in een supermarkt waar niemand dat opmerkt. Hij vond het hakenkruis dat de ontvoerders op de acteur geklad zouden hebben onwaarschijnlijk (het had een Davidster moeten zijn) en hij schreef van dat zelf vastbinden dat de acteur had moeten doen, dat hij zijn eigen vastbinder was geworden.' Tamar wilde de brief in haar rubriek opnemen, maar drie kennissen ('een politicus, een psycho-analist en een schrijver') vonden dat ze dat niet mocht doen. Als ingezonden brief in Vrij Nederland werd de tekst door de hoofredaktie ook niet publikabel geacht. Tamar: 'Het verbijsterende was dat al die mensen zeiden dat ze van begin af aan het verhaal van Croiset niet echt geloofd hadden.'

 

Nederland lijkt ondertussen gevangen in wat rustig een Fassbinder-syndroom kan worden genoemd, of een Fassbinder-koorts - hoe dan ook, bij het minste of geringste smetje op wiens blazoen dan ook, duikt het spook van het antisemitisme op. Een symposium over de Duitse filosoof Martin Heidegger, waar onder meer een boek van de Chileen Victor Farias (Heidegger et le nazisme) wordt besproken, waarin goed gedocumenteerd wordt aangetoond dat Heidegger tot het einde van de oorlog meer nazi-sympathiëen heeft gehad dan tot dusver werd aangenomen, wordt ijlings verboden, verschoven, gemarginaliseerd. Een tentoonstelling in Schiedam, over de Franse schrijver J.K Huysmans wordt op last van het college van Burgemeester en Wethouders gesloten. Huysmans zou in een brochure over de heilige Lidwina, 'de maagd van Schiedam', opmerkingen hebben gemaakt als 'Spanje en Portugal zijn broeinesten van vrijmetselarij' en 'Oostenrijk is tot in het merg aangevreten door joods ongedierte.' De tentoonstelling, die overigens op 18 december 1987 ongestoord is geopend door dezelfde wethouder van cultuur die hem nu nerveus sluit, zou 'een schadelijke discussie' kunnen bewerkstelligen, aldus een communiqué van het gemeentebestuur van Schiedam. NRC Handelsblad schrijft in een hoofdredactioneel commentaar: 'Huysmans kan onmogelijk een ideologische antisemiet worden genoemd. In zijn werk worden slechts zijdelings anti-joodse opmerkingen gemaakt.' Enkele dagen later, medio januari, gaat de tentoonstelling weer open.

Dat het nóg bonter kan bewijzen de reacties op een (reeds in november 1987 aangekondigde) manifestatie óver en een theatervoorstelling ván teksten van de hand van de Oostenrijkse Bürgerschreck, schrijver, dichter, performer, alleskunner Karl Kraus (1874-1936). Zo zou onder meer zijn mega-theater-scenario De laatste dagen van de mensheid (vijf actes, voor- en naspel, in het orgineel 770 pagina's tekst, 220 scènes, een cast van 500 personen, idealiter verspreid over tien avonden) in een bewerking worden gespeeld door het Amsterdamse studentengezelschap Handke-Weiss-groep. De dagbladen Trouw en de Volkskrant weten te melden dat Kraus 'een antisemitische, Oostenrijkse schrijver is', resp. dat hij werk heeft afgeleverd waarin 'verscheidene antisemitische passages voorkomen.' Martin van Amerongen, hoofdredacteur van het weekblad de Groene Amsterdammer en Kraus-kenner, meldt in zijn collumn in NRC Handelsblad: 'Sommige dingen, zo placht Kraus te zeggen, zijn zo gelogen dat zelfs het tegendeel niet waar is. Was Karl Kraus dan geen antisemiet? Jazeker was hij dat, hetgeen trouwens ook gold voor ongeveer driekwart van zijn land- en tijdgenoten, wonend en werkend in de multiraciale, tot ondergang gedoemde, cultureel, economisch en psychologisch ernstig getraumatiseerde Donau-monarchie. En omdat Kraus een beroepshater was, keerde hij zich, behalve tegen de joden, ook tegen de niet-joden, de monarchisten, de anti-monarchisten, de socialisten, de anti-socialisten, de rechterlijke macht, de adel, de militairen, de vrouw in het algemeen en de vrouwelijke kunstenares ("hoe fraaier het gezicht, hoe beroerder het gedicht") in het bijzonder.'

De manifestatie rond Karl Kraus gaat gewoon door.

 

Op 9 februari belegt het College van Burgemeester en Wethouders van Rotterdam een gesprek met vertegenwoordigers van de joodse gemeenschap om 'de lucht te klaren' na de Fassbinder-affaire. Rabbijn Soetendorp na afloop: 'Als er al een breuk was, dan is die nu geheeld.' Tegen het eind van de jaren tachtig gaat het stuk in première in Stockholm, Malmö, Göteborg, Napels en Milaan. Het gaat daarbij steeds om voorstellingen bij kleine, onafhankelijke theaterproducenten. Bij alle premières zijn de vertegenwoordigers van de Duitse pers steeds over-vertegenwoordigd.

In november 1988 houdt de voorzitter van het Duitse parlement, Philipp Jenninger, in de Bundestag een redevoering naar aanleiding van de vijftigste herdenking van de zgn. Reichskristallnacht (het feitelijke begin van jodenvervolging in nazi-Duitsland). Jenninger doet in die redevoering een poging om zich een zo eerlijk mogelijke voorstelling te maken van de houding van de Duitsers tegenover de joodse medeburgers in de jaren dertig. Er breekt commotie uit naar aanleiding van zijn toespraak. Jenninger wordt onmiddellijk uit zijn ambt gezet.

Artistiek leider van Toneelgroep Amsterdam Gerardjan Rijnders kondigt aan dat Johan Doesburg in het seizoen 1988-1989 bij zijn groep Georg Tabori's stuk Mein Kampf zal regisseren, over de jonge jaren van Adolf Hitler in een Weens tehuis voor daklozen. Rijnders in Vrij Nederland: 'Andere mensen zijn misschien wat huiverig voor Doesburg, maar dat is onzin. Ik vind dat die hele affaire rond Fassbinders stuk nogal krankzinnig is geweest. De kans bestaat dat het als een provocatie opgevat wordt. Maar dat is voor mij absoluut geen reden om het niet te brengen. Een toneelgezelschap is er niet alleen maar om bonbons uit te delen. Mein Kampf is een stuk dat deugt en dat ook in Nederland gespeeld moet worden. Ik denk dat Doesburg en onze acteurs capabel genoeg zijn om het genuanceerd en zonder alleen maar te provoceren op het toneel te zetten. De keuze is van Doesburg zelf en het is een consequente keuze. Ik denk dat hij in ieder geval nadenkt over zijn repertoire.' (De voorstelling Mein Kampf gaat in januari 1989 in première.)

Journalist, interviewer, schrijver en performer Ischa Meijer - die in de voorstelling van Het vuil, de stad en de dood in de regie van Johan Doesburg oorspronkelijk de rol van A., die de rijke jood wordt genoemd zou spelen (Meijer zei om gezondheidsredenen af), heeft voor Toneelgroep Amsterdam een bittere tragikomedie geschreven onder de titel Ons dorp, de schoonheid en het leven, waarin de complexen en trauma's die de toon zetten tijdens de commotie rond het Fassbinder-stuk tegenover elkaar worden geplaatst. Het stuk gaat, in de regie van de auteur, in première op 9 september.

 

1989

 

Op 4 februari treedt Jules Croiset, middels een pagina-groot interview in De Telegraaf, voor het eerst sinds zijn bekentenis weer in de openbaarheid. Kort daarop wordt duidelijk dat de eventuele rechtszaak tegen hem is geseponeerd. Bij de Amsterdamse uitgeverij Thoth verschijnt zijn boekje Met stomheid geslagen, dertien toespraken voor een imaginaire rechtbank, voornamelijk over zijn levensloop en achtergronden. De tekst is voorzien van een nawoord door zijn behandelend psychiater, J.P. Teuns.

 

1991

 

Op 8 februari promoveert S.J. Heinink aan de Rijksuniversiteit van Utrecht tot

doctor in de contemporaine geschiedenis met zijn scriptie Normaliseren of taboeïseren - de Fassbinder-affaire in Nederland vanuit historisch perspectief. Zijn begeleider is professor dr. H.W. von der Dunk. Met de publikatie wint Heinink de eerste 'Parool-scriptie-prijs'.

 

1992

 

Ter gelegenheid van zijn tiende sterfdag worden wereldwijd Fassbinder-retrospectieven georganiseerd. De grote tentoonstelling Rainer Werner Fassbinder - Werkschau start in Berlijn (Fernsehturm, Berlin-Alexanderplatz) en reist later dit jaar door naar het New York Museum of Modern Art.

 

1998

 

Na negen jaar stilte is Fassbinders stuk weer terug in het nieuws en van de plank af. Maar ook van een nieuwe poging om Der Müll, die Stadt und der Tod óp de Duitse planken te brengen, komt niets terecht. Intendant Bernd Wilms van het Maxim Gorki Theater aan de beroemdste straat van Berlijn, Unter den Linden, kondigt aan dat hij het stuk op het repertoire wil nemen. De timing had niet slechter gekund. Op 11 oktober van dit jaar houdt de schrijver Martin Walser een redevoering bij het aanvaarden van de vredesprijs van de Duitse boekhandel. Walser kiest als onderwerp voor zijn toespraak: hoe kan men zijn vrijheid van geweten verdedigen tegenover alle routine en dwang van het herdenken in Duitsland. Publicist Paul Scheffer schrijft over die redevoering in zijn bijdrage aan het boek Gegijzeld door het verleden - controverses in Duitsland (2001) onder meer: 'Het geweten is volgens Walser een private aangelegenheid, en wordt dan ook door publieke bekentenissen van schuld en boete misvormd. In Duitsland is een instrumentele omgang met het herdenken van "Auschwitz" gegroeid. De eindeloos herhaalde beelden van de concentratiekampen zijn een uitnodiging tot wegkijken geworden. Het Holocaust-monument, zoals gepland in Berlijn, zal het tegendeel bereiken van wat ermee wordt beoogd: "Er is zoiets als een banaliteit van het goede". En misschien wel belangrijker: ligt in de openlijke schuldbekentenis niet de onuitgesproken hoop verborgen dichter bij de slachtoffers dan bij de daders te staan? Maar, zo zegt Walser: Ik denk niet dat het mogelijk is om de kant van de beschuldigde te verlaten.'

Walser wordt fel aangevallen door Ignatz Bubis, de man die in Frankfurt het verzet tegen Fassbinders stuk leidde, de man ook naar wie Fassbinder naar verluid zijn personage van A., gennant der reiche Jude minstens gedeeltelijk heeft gemodelleerd, de man die nu, in 1998, Präsident des Zentralrates der Juden in Deutschland is. Bubis argumenteert, aldus publicist Scheffer in zijn eerder geciteerde artikel over het Walser-Bubis-debat, 'dat Walser met zijn toespraak de deur heeft opengezet voor een nieuw nationalisme, dat nu voorgoed af wil van het slechte geweten. Door zich zo weinig precies uit te laten heeft hij juist het wegkijken bevorderd. Het kan geen toeval zijn dat Walser spreekt van "schande" en niet van "schuld of "misdaden". Daarmee plaatst hij zich op één lijn met de vertegenwoordigers van extreem-rechtse partijen, die voor eens en voor altijd een streep onder het verleden willen zetten, en de morele schuld van Auschwitz nooit hebben willen erkennen. De bevrijding van het geweten die wordt nagestreefd loopt uit op een ontkenning ervan.' Het Walser-Bubis-debat loopt maanden. Na enkele felle protesten vanuit de joodse gemeenschap, moet Bernd Wilms van het Berlijnse Maxim Gorki Theater zijn plan om Fassbinders stuk op te voeren, laten varen.

De NOS-televisie zendt een serie documentaires uit onder de verzameltitel De affaires. Eén van de afleveringen, gemaakt door Nettie van Hoorn, handelt over de Fassbinder-affaire. In de ongeveer 40 minuten durende documentaire komen alle hoofdrolspelers uit 1987 aan het woord.

 

1999

 

Op 24 april gaat Fassbinders Het vuil, de stad en de dood in première op de privé toneelschool van Yoram Loewenstein in de wijk Hativka, een soort Israëlische variant van de Haagse Schilderswijk, in Tel Aviv. Regie voert de 33-jarige Avi Malka, die A., die de rijke jood wordt genoemd, laat spelen door een acteur met een masker op, getooid met een extra grote neus (het Duitse weekblad Der Spiegel beschrijft het masker als 'eine Stürmer-Fratze mit Hakennase'). In een reportage over de voorstelling meldt Israël-correspondente Inez Polak in het dagblad Trouw (1 mei 1999) dat een kennis van de toneelschooldirecteur in de pauze Yoram Loewenstein opzoekt. Polak: 'Ze is een beetje teleurgesteld. Niet over het spel, dat is uitstekend. Maar ze had zich voorbereid op een veel heftiger antisemitisch stuk. Twee jonge vrouwen wisselen hun eerste indrukken uit. Hebben ze geen moeite met de stereotype rijke Jood? Ze kijken elkaar even verbaasd aan. "Nee, hoezo?" En na enig aanhouden komen ze gezamenlijk tot de conclusie dat dit nu eenmaal het stereotyp is dat niet-Joden van Joden kunnen hebben. "Misschien dat het ons wel zou hebben gestoord als we het in het buitenland zouden hebben gezien en als het niet door Joden zou zijn gespeeld. Maar hier in Israël, met Israëlische acteurs?" Ze vragen me vervolgens of ik het misschien niet goed gespeeld vind.'

Bern Wilms nodigt de voorstelling uit Tel Aviv (ongezien) uit voor een 'Gastspiel' in zijn Berlijnse Maxim Gorki Theater. Yoram Loewenstein zegt toe, denkt na, en krijgt het onaangename gevoel dat hij voor een Duits karretje gespannen wordt, iets wat wordt bevestigd na een interventie van Ignatz Bubis. Na rijp beraad zegt Loewenstein het gastoptreden in Berlijn af.

Het Nationale Toneel te Den Haag, waar regisseur Johan Doesburg ondertussen al enige jaren deel uitmaakt van de artistieke leiding, kondigt in haar beleidsplan voor de zogeheten Kunstenplan-periode 2001-2004 aan, dat het gezelschap binnen deze periode Fassbinders stuk Het vuil, de stad en de dood wil uitbrengen.

Op 9 oktober kondigt de stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB) aan dat het boekenweekgeschenk 2000 zal worden geschreven door Harry Mulisch. Zijn novelle Het theater, de brief en de waarheid is geïnspireerd op het tumult rondom de zelfontvoering van Jules Croiset in 1987.

 

2000

 

In de maand van de boekenweek, maart, herbeleeft Nederland de Fassbinder-Croiset-affaire middels de zaak Freek de Jonge versus Harry Mulisch. Freek de Jonge is gevraagd om op 14 maart het Boekenbal - en daarmee de Boekenweek - in Carré te openen met een conference, die hij oorspronkelijk De Flaptekst wil noemen. Na het lezen van het manuscript van Harry Mulisch' boekenweekgeschenk De brief, het theater en de waarheid, verandert Freek de Jonge de titel van zijn conference in De conferencier, het boekenweekgeschenk en de leugen. NRC Handelsblad-verslaggever Wilfried Takken ziet een tryout in Ommen. 'De Jonges nieuwe show, opgezet als een tocht door de karig gevulde boekenkast van prins Willem Alexander, wekt in Ommen een bulderend gelach op. Als hij echter is aangeland bij het boekenweekgeschenk van Harry Mulisch wordt het aanmerkelijk stiller. De Jonge is boos. Hij vertelt serieus hoe zijn leven werd ontwricht toen zijn gezin, na de verdwijning van Croiset, ook werd bedreigd met ontvoering. Ook dit bleek zijn toenmalige vriend Croiset te hebben gedaan. De Jonges kinderen moesten onderduiken, hijzelf kreeg doorlopende politiebewaking.' Freek de Jonge relativeert nu zijn eigen verzet tegen opvoering van het stuk van Fassbinder in 1987: 'Ik vind dat je niets moet verbieden. Je kunt altijd nog vijftig jaar later je excuses aanbieden'. Hij noemt het boek van Mulisch erger dan Fassbinders rijke Jood, suggereert dat Mulisch en Croiset een afspraak hebben gemaakt: Mulisch mocht Croisets verhaal gebruiken en zijn politiedossier inzien, als hij in zijn novelle de acteur min of meer zou rehabiliteren. Freek de Jonge kondigt op 14 maart een 'boekverbranding' aan.

De verslaggever van het dagblad Trouw kan de ochtend na die veertiende maart op de voorpagina melden dat het tijdens de conference van Freek de Jonge in Carré zover niet gekomen is: 'Het optreden van Freek de Jonge heeft gisteravond in Carré niet tot een eenduidige ontknoping geleid. Het boekenweekgeschenk van Harry Mulisch is verbrand, maar niet in de brand gestoken. De brand vloog erin en meteen rees er een phoenix op uit de as. Lucifers kwamen er dus niet aan te pas, al vroeg Freek bij opkomst wel aan Mulisch: Harry, heb jij lucifers bij je?' De conference van Freek de Jonge wordt overigens een week later door de VPRO-televisie integraal uitgezonden.

Als Freek de Jonge het Boekenbal opent heeft niemand Mulisch' novelle nog gelezen. Enkele dagen later verschijnen de recensies. De literatuur-kritikus van de Volkskrant, Arjan Peters, vat de inhoud van Mulisch' boekenweekgeschenk als volgt samen: 'We krijgen twee mogelijke lezingen voorgelegd van de geruchtmakende zaak uit 1987. Eerst vertelt de zelfingenomen toneelschrijver Felix het verhaal over de Croiset-achtige acteur Herbert Althans, die in het crematorium naast de kist staat met daarin zijn ontzielde vrouw Magda. De man biecht op waarom hij zichzelf drie maanden eerder heeft ontvoerd. De acteur stapte uit zijn rol en werd creatief. In het leven. Door aldus met vuur te spelen heeft hij zijn vrouw een levensbedreigende depressie bezorgd. In het tweede deel spreekt de toneelschrijfster en dichteres Vera over de begrafenis van Herbert Althans, en de toespraak die zijn vrouw Magda - naast de kist met daarin haar ontzielde man - bij die gelegenheid hield over de omstandigheden die tot zijn zelfmoord leidde. Vanzelfsprekend sluiten de versies elkaar uit. Maar in beide gaat het over de noodlottige uitvoering van iets dat droom of verlangen had behoren te blijven. Of dat in kunst een uitweg had kunnen vinden. Maak je van het echte leven een theatraal drama, dan ben je dat leven niet lang zeker. In de kunst kan een mythe vorm krijgen, kunnen dromen worden uitgeleefd en tegenstellingen vredig naast elkaar bestaan. Treed je buiten dat domein van de grote gebaren en weidse ideëen, dan kun je zo'n malloot als Croiset worden.'

Diverse landelijke dagbladen melden overigens op de dag van het Boekenbal (14 maart), dat het Haagse Nationale Toneel voornemens is in het najaar van 2002 Fassbinders Het vuil, de stad en de dood op het repertoire te nemen. In de regie van Johan Doesburg. Op dit, reeds een jaar bekende feit, komen direct twee reacties. De directeur van het Centrum voor Informatie en Documentatie Israël, R. Naftaniël, zegt op 15 maart tegen een correspondent van de GPD-bladen: 'Doesburg is een provocateur. Hij blijft het proberen. Maar ik denk dat er nog niets veranderd is in die dertien jaar. Het stuk is nog even antisemitisch.' De tweede reactie komt van Freek de Jonge. Tegen een medewerker van de Volkskrant zegt hij op 23 maart: 'Doesburg wil gewoon alsnog het stuk uitvoeren, als een klein boos kind dat zijn gelijk wil halen. Hij zou van zijn uitvoering een grote stoofpot moeten maken, waarin de hele affaire rond Croiset - mijn conference, het boekenweekgeschenk - aan bod komt. Net als mijn stukken moet hij zijn uitvoering laten rijpen door de discussie. Als je dan toch dat stuk wilt uitvoeren, maak er dan wat van. Aan het werk dus!'

 

2001

In september wordt het nieuwe Jüdisches Museum in Berlijn geopend. In de permanente tentoonstelling wordt ruim aandacht besteed aan de Frankfurter controverse rondom Der Müll, die Stadt und der Tod.

Op 25 november gaat bij Schauspiel Frankfurt, in het Kleines Haus, op hetzelfde podium waar zestien jaar daarvoor de voorstelling van Fassbinders Der Müll, die Stadt und der Tod door de joodse gemeenschap werd verhinderd, de voorstelling Das Theater, der Brief und die Wahrheit, een toneelbewerking van Harry Mulisch' boekenweekgeschenk uit 2000, in première. In aanwezigheid van de auteur (en Europees' bankpresident Duisenberg), in de bewerking en regie van acteur Udo Samel, met in de rol van Herbert/Croiset de acteur Matthias Brandt, zoon van de voormalige Bondskanselier Willy Brandt. De Frankfurter kritiek is vernietigend. De Frankfurter Rundschau noemt de voorstelling 'een penetrante retorische oefening'. De Frankfurter Allgemeine Zeitung spreekt over een 'ijdel opgeblazen literaire constructie'.

 

2002

 

Op 8 februari schrijft het weekblad HP/DE TIJD in haar wekelijkse rubriek De Kring: 'Na de zelfontvoering van Jules Croiset - als wanhopige reactie op het stuk Het vuil, de stad en de dood van Rainer Werner Fassbinder in 1987, gingen er jaren voorbij. Er kwam een theatervoorstelling van Freek de Jonge en een boekenweekgeschenk van Harry Mulisch, waarin de affaire weer werd opgerakeld. Jules Croiset zelf bleef zwijgen. Volgend seizoen speelt hij de hoofdrol in Dood van een handelsreiziger bij Het Nationale Toneel. Datzelfde theatergezelschap heeft dan net de première van Het vuil, de stad en de dood achter de rug, geregisseerd door artistiek leider Johan Doesburg. Die nam het stuk in 1987 ook al ter hand, toen nog als onbeduidend studentje aan de regie-school. Wonderlijk idee dat Croiset straks in de Koninklijke Schouwburg repeteert, terwijl het decor van Het vuil, de stad en de dood nog staat opgebouwd. "Ik weet wat U gaat vragen", zegt hij, "maar ik onthoud mij van ieder commentaar." In Duitsland werd het boek van Mulisch inmiddels al voor het toneel bewerkt en opgevoerd. Als Doesburg dat nu ook eens op het repertoire nam? En Croiset de hoofdrol gaf? We durven het nauwelijks te vragen.'

In het speelplan van Het Nationale Toneel staat in het toneelseizoen 2002-2003 de première van Rainer Werner Fassbinders Het vuil, de stad en de dood aangekondigd voor 26 oktober, in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag.

 

* * * * *

 

 

 

Home