|
'Mijn blik alziende en mijn timbre soeverein' Over Cyrano de Bergerac - de échte, én die van Edmond Rostand Teksten uit het programmaboek CYRANO DE BERGERAC Het Nationale Toneel najaar 2003 Het is niet algemeen bekend is dat de romantische toneelheld uit Cyrano de Bergerac van Edmond Rostand echt heeft bestaan. Voluit heette hij Savinien Hercule Cyrano de Bergerac, geboren in maart 1619, gestorven in de zomer van 1655, op 36-jarige leeftijd. Hij begon al jong als militair, raakte in 1640, op zijn 21ste zwaar gewond tijdens het beleg van Arras en moest het leger verlaten. Hij stortte zichzelf in het culturele leven van Parijs, ging studeren en maakte onder meer deel uit van een privé-klasje van de toendertijd beroemde wiskundige en filosoof Pierre Gassendi (volgeling van Descartes en Locke), waar ook de jonge Jean-Baptiste Poquelin (de latere Molière) bij aanschoof. In een in Nederland verschenen brochure Autour de Cyrano de Bergerac (M. Hovingh en J.Bitter) staat in de inleiding de nuchtere constatering: 'Il y a un Cyrano légendaire et un Cyrano historique.' De legende Cyrano zit vol met onbevestigde anekdotes waarvan Rostand er nogal wat in zijn toneelstuk heeft gestopt. De nachtelijke vechtpartij waarin hij in zijn eentje honderd man over de kling jaagt en waarover hij in het tweede bedrijf een bravourig verslag doet, die ís er geweest (2 doden, 7 gewonden, bij de Port de Nesle), maar zóveel tegenstanders ...? Het schofferen van de toneelspeler Montfleury (ook een man die echt heeft bestaan) vond meerdere keren plaats, maar meestal áchter de schermen, in kroegen en op feesten: Cyrano had een grondige hekel aan deze treurspeler. De historische Cyrano had een grote neus (maar niet de 'vogelstok' die Rostand hem toedicht), zijn nicht heette Madeleine Robineau (en niet Robin zoals Roxane's naam bij Rostand voluit luidt) maar ze was weer wel de weduwe van Christian de Neuvillette die (zoals bij Rostand) jong sneuvelde. Cyrano's vertrouweling heette ook in het echt Le Bret, en zijn grootste vriend was ook in werkelijkheid de dichtende banketbakker Rageneau. Die vertelt in de sterfscène aan het slot van Cyrano de Bergerac dat-ie kaarsensnuiter is geworden bij Molière, maar weer ontslag wil nemen omdat Molière voor zijn Schelmenstreken van Scapin een scène van Cyrano heeft gejat. Klopt allemaal, de gestolen scéne komt uit Cyrano's burleske komedie Le Pédant joué ('de gespeelde wijsneus'), een stuk dat niet veel succes had. De gestolen scène in Molière's Scapin werd een klassieker, wat Cyrano in doodsnood ook hoopt, met de toevoeging: 'Heel mijn leven souffleer ik anderen - en mij vergeten ze.' Aan dié doem heeft de Franse toneelschrijver Edmond Rostand (1868-1918) een eind proberen te maken. Vanaf 1894 probeerde hij het Franse romantische versdrama nieuw leven in te blazen, met behulp van klassieke helden (Romeo en Julia), muziek (in La Samaritaine) en met niet de geringste ster van het Franse toneel: Sarah Bernhardt. Het wilde allemaal niet echt vlotten. In de figuur van Cyrano de Bergerac boorde Rostand een goudmijn aan: een durfal, die het puntige staal van de degen koppelt aan de puntige pen, die vecht en dicht tegelijkertijd (en als de beste), vervuld van levensangst door zijn mismaakte neus, in stilte (alleen zijn vertrouweling Le Bret weet ervan) verliefd op zijn nicht Roxane. Die op haar beurt verliefd is op de jonge baron Christian de Neuvillette, cadet bij Cyrano's Gasconjer vechtersbazen. Die liefde is wederzijds. Roxane echter valt niet slechts op lijfelijke aantrekkelijkheid, ze valt ook op taal, op tekst, op de zoete klanken van het gesproken woord. Op dat vlak is Christian een kwakkelende kwezel. En het is Cyrano die met het idee komt om zíjn lyrische woordenspel te koppelen aan de lichamelijke aantrekkingskracht van Christian. Achter de facade van diens knappe kop kan Cyrano eindelijk aan Roxane kwijt wat hem al jaren in het hart en op de lippen brandt. Cyrano de Bergerac wordt vaak weggezet als platte volkskunst, een gemakkelijk cape-en-degenverhaal. Die beschuldiging bracht de Franse literatuurkritikus Michel Onfray in zijn essay Filosofie van de zwier tot een litanie aan kwaliteiten en thema's die hij bij Edmond Rostand de revue ziet passeren: 'Een toneelstuk over het verlangen en de manier waarop genot functioneert, over gegeven woorden en eden, vriendschap en kameraadschap, verleiding en de macht van de taal, trouw, moed, elegantie, kracht en virtuositeit, het effect van tijd op het gevoel, de relaties tussen verlangen, hartstocht en liefde, vlees en geest, lichaam en ziel, vrijheid, onafhankelijkheid en trouw aan je principes. Is dat niet genoeg?' Misschien niet. Wellicht volstaat dan de meeslepende samenvatting die Cyrano in de achtste scène van het tweede bedrijf van zichzelf geeft, de beroemde 'Non, merci'-monoloog, antwoord op het advies van zijn vertrouweling Le Bret: Blaas wat minder hoog van je invoren toren, dan wordt je rijk en beroemd. Cyrano bedankt voor die eer, geeft zijn verlangen om 'voluit' te gaan prijs in een wervelende alleenspraak, met in haar kern de zin 'Avoir l'oeil qui regarde bien, la voix qui vibre', door Laurens Spoor, in zijn briljante, spiksplinternieuwe vertaling (in 'opgloeiend rijm') vernederlandst tot: 'Mijn blik alziende en mijn timbre soeverein'. Cyrano: 'Dagdromen, lachen, vrij en ongebonden zijn, Mijn blik alziende en mijn timbre soeverein, Mijn hoed, als ik dat wil, achterstevoren; strijden Om niets, of alles - of daar een een gedicht aan wijden! Zonder op geld of op prestige acht te slaan Mij voorbereiden op een reisje naar de maan! Niets schrijven wat niet stoelt op eigen vaardigheden, Mezelf bescheiden voorhouden: wees maar tevreden, Want elke bloem, vrucht, ja: elk blaadje is een pracht Zolang die in je eigen tuin is voortgebracht! En mocht 't je overkomen dat je wordt gehuldigd, Dan ben je dat succes alleen jezelf verschuldigd. Oog in oog met jezelf verbleekt die glorie niet. Kortom: ben je geen kruiper, klimop of parasiet, Dan reik je, ook al ben je niet zo fors en krachtig Als 'n eik, misschien niet hoog, maar je reikt eigenmachtig!' Michel Onfray: 'Cyrano zegt nee tegen wat hij de buigzaamheid van de rug noemt, om beter nee te kunnen zeggen tegen de fantasie, de luim, de gril.' Koningschap over jezelf, noemt Onfray dat. En misschien is dat wel de scherpste samenvatting van Rostand's Cyrano de Bergerac. LZ 'Cyrano de Bergerac' op de planken
Edmond Rostand en zijn producent, het Théâtre de la Porte-Saint-Martin in Parijs, durfden de mega-onderneming die Cyrano de Bergerac in het najaar van 1897 zeker was, onder meer aan, omdat ze de beschikking hadden over de karakterspeler en raskomediant, Constant-Benoît Coquelin (1841-1909), 56 jaar op de wereldpremière op 28 december 1897, dus pittig oud voor zo'n zware rol. Hij heeft de voorstelling tot 1899 zo'n vierhonderd keer gespeeld, en daarna - tijdens een reprise tot zijn dood in 1909 - nog een paar honderd keer. Zijn opvolger, Le Bargy, maakte op 26 april 1913 de eerste duizend vol. De speelbeurten van het stuk in Frankrijk gaan sowieso over getallen met drie nullen. Toen de legendarische regisseur Jérôme Savary in 1983 een nieuwe versie van het stuk regisseerde, werd er in het programmaboekje vermeld dat het stuk in Frankrijk sinds de wereldpremière zo'n veertienduizend keer moet zijn gespeeld, met een kleine dertig Franse titelrolvertolkers. Cyrano de Bergerac bezorgde Rostand meteen eeuwige roem: na de voorstelling van 1 januari 1898 werd hem door de Franse president de hoge onderscheiding Légion d'Honneur opgespeld. De eerste acteur die Cyrano naar de Nederlandse podia bracht was Frits Bouwmeester sr., de broer van de grote Louis Bouwmeester. De acteur die Cyrano op de Nederlandse podia mateloos populair maakte was echter een Vlaming, Hubert Laroche. Hij speelde Cyrano voor het eerst op 6 september 1902 in de Amsterdamse Stadsschouwburg bij de N.V. Het Tooneel onder de directie van Willem Royaards. De rol moet hem op het lijf geschreven en aan zijn kont gehangen zijn geweest, zijn vertolking kwam regelmatig voor op het repertoire tussen 1902 en 1908, en tussen 1914 en 1924. In het dagblad Het Vaderland van 16 november 1918 werd een voorstelling aangekondigd in de Koninklijke Schouwburg te Den Haag, waarin La Roche vier dagen later Cyrano zou spelen. Over hem gaat het verhaal dat hij bij die voorstelling van Cyrano de Bergerac, die werd bijgewoond door de Franse gezant, een open doek kreeg na de beroemde tirade (tweede bedrijf, scène zeven) 'Dit zijn de Gasconse cadetten / Van Carbon de Castel-Jaloux'. Na het verstommen van het applaus maakte Laroche een buiging naar de loge van de gezant en herhaalde de hele claus in het Frans. Van zijn Cyrano-vertolking is in datzelfde jaar een aquarel gemaakt, die tot de collectie van het toneelmuseum in Amsterdam behoort, en die prominent werd afgedrukt in het gedenkboek bij de 175ste verjaardag van de Koninklijke Schouwburg in 1979. Behalve Hubert Laroche en Frits Bouwmeester sr. hebben meer karakterspelers Cyrano hun stem gegeven in het Interbellum van de vorige eeuw. Onder hen waren Jan Musch en Ko van Dijk sr., de vader van dé Ko van Dijk, die het toneel van na de tweede wereldoorlog bijna dertig jaar zou domineren, maar die de begeerde rol zelf nooit zou spelen. De ouderen onder het toneelpubliek herinneren zich dat er na de tweede wereldoorlog geruime tijd in Nederland eigenlijk maar één Cyrano de Bergerac is geweest: Guus Hermus. In zijn rijke spelersloopbaan speelde hij de rol twee keer. Eerst bij het Rotterdams Toneel, première: 9 februari 1962 in de (oude) Rotterdamse Schouwburg, regie: Ton Lutz. Veertig jaar geleden herbergden grote Nederlandse toneelgezelschappen nog echt grote ensembles: het Rotterdams Toneel had in 1962 veertig acteurs in dienst. De voorstelling Cyrano de Bergerac, die veel voeten in de aarde had (de première werd uitgesteld) was een triomf 'a grand spectacle' (zoals de kritikus Gomperts schreef). Tegenover Hermus speelden Ann Hasekamp als 'een tedere en schalkse Roxane' (de omschrijving is opnieuw van Gomperts), André van den Heuvel als Christian en de jonge Willem Nijholt als De Valvert. Kritikus Gomperts: 'Decors en zetstukken werden onder zichtbaar opgehangen lampen bij open doek gechangeerd, terwijl een stem uit een luidspreker de toepasselijke toneelaanwijzingen reciteerde. Dit procédé werkte op een gelukkige manier ironiserend. Tussen de bloedige romantiek door werd als het ware sympathiek geknipoogd.' De produktie haalde zestig uitverkochte voorstellingen, Philips maakte van de hoogtepunten een langspeelplaat. Maar ze kon niet worden hernomen: het Rotterdams Toneel werd het seizoen daarop Nieuw Rotterdams Toneel, Lutz verhuisde naar de Nederlandse Comedie, Hermus naar Toneelgroep Centrum. Dertien jaar later heeft Guus Hermus opnieuw Cyrano gespeeld, deze keer bij Joop van den Ende, in de regie van Ko van Dijk, met tegenover zich Lies Franken als Roxane en Jeroen Krabbé als Christian, première: 2 februari 1975, opnieuw in de (oude) Rotterdamse Schouwburg. Over deze enscenering doet een hardnekkige anekdote de ronde. Ze betreft de eerste lezing, ergens in Amsterdam-Noord. Regisseur Ko van Dijk las, temidden van zijn voltallige cast en produktieploeg, het stuk in zijn eentje voor. Het was een publiek geheim dat Ko van Dijk de titelrol het liefst zelf had willen spelen, een kapotte heup verhinderde dat. Guus Hermus zat tijdens die eerste lezing (er werd, net als in 1962, gebruik gemaakt van de berijmde vertaling van Ben Royaards) naast Van Dijk. Na afloop van de lezing viel er een korte stilte. Waarop Hermus zei: 'Nou, dat stuk hoeven we dus niet meer te spelen'. Het incident heeft de voorstelling (waarin Ko van Dijk meespeelde, in de rol van Cyrano's vertrouweling Le Bret) de hele toernee achtervolgd, tot en met de televisieopnamen door de KRO - die in het omroeparchief overigens in zwaar beschadigde toestand worden bewaard. Laten we het mild stellen: Hermus' tweede Cyrano kon niet in de schaduw staan van die eerste uit 1962. Tien jaar later, in december 1985, trad in Arnhem, bij Toneelgroep Theater, een nieuwe Cyrano aan: Gees Linnebank. Met Caroline Beukman als Roxane en Alexander van Heteren als Christian, in de co-regie van Helmert Woudenberg en Huib Broos, en in de nieuwe vertaling van Gerrit Kouwenaar. Acteerde Hermus nog in de traditie van de lyrisch-melodramatische grote speelstijlen ('larger than life itself'), bij Linnebank stond de verscheurdheid door het liefdesverdriet op de voorgrond, de broze breekbaarheid van Cyrano, verborgen achter zijn declamatorische bravoure, om de levenspijn maar niet te hoeven voelen. Cyrano was een mijlpaal in de wervelende acteerloopbaan van Gees Linnebank. Als leraar op de toneelschool was een van zijn leerlingen: Stefan de Walle. En als lesstof werd regelmatig naar scènes uit Cyrano de Bergerac gegrepen. Dat Stefan de Walle nu als Cyrano de toneelplankieren betreedt, mag dan ook gezien worden als een mooie stap in een rijke traditie. LZ |