Rainer Werner Fassbinder - Het vuil, de stad en de dood

 

Het toneelstuk en de misverstanden

 

 

 

Het verhaal Waarom een aantal personages in dit stuk één letter als achternaam draagt, of slechts met één letter wordt aangeduid - als waren ze criminelen - heeft de schrijver nooit uitgelegd. Misschien bedoelde hij dat zijn personages slechts schetsen zijn, aanduidingen van mensen die zouden kunnen hebben bestaan, of die zijn opgebouwd uit eigenschappen van meerdere figuren. Feit is dat Fassbinders stuk Het vuil, de stad en de dood wordt gedragen door twee personages zonder volledige naam: de hoer Roma B., en de makelaar, respektievelijk handelaar in onroerend goed, A. die de rijke jood wordt genoemd. Ze zijn beiden beschadigde mensen, hun beschadigingen hebben een gelijkaardige bron: het Duitse fascisme, de oorlog, de jodenvervolging.

Roma B. is de dochter van een voormalig kampbeul in een concentratiekamp. Roma B. is waarschijnlijk vlak na de oorlog geboren (net als Fassbinder) en in haar kindertijd sexueel misbruikt door haar vader, met medeweten van haar moeder. Of haar vader, in het stuk Müller geheten, vanwege zijn misdaden in het concentratiekamp gevangen heeft gezeten, vertelt het stuk niet. Hij is in ieder geval aan lager wal geraakt, leeft met zijn verlamde vrouw in armoedige omstandigheden, en houdt zich onder meer in leven door in travestie in een driestuivers-nachtclub een imitatie ten beste te geven van Zara Leander, een zangeres die met de nazi's sympathiseerde. Roma B. is in de straat-prostitutie terecht gekomen, leeft samen met Franz B., die tevens haar pooier is, die haar beschermt, die haar schamele hoerenloon vergokt, en die haar mishandelt.

A. die de rijke jood wordt genoemd heeft als kind of als puber de oorlog overleefd, zijn ouders zijn in een concentratiekamp vermoord. Hij is rijk geworden in het naoorlogse Duitsland, vooral in het onroerend goed: het afbreken van oude sociale woningbouw en het bouwen van dure koophuizen. Het sociale klimaat in de stad wordt van zijn handelen niet plezieriger, hij zegt dat dat hem niet deert - per slot van rekening is het de stad van de moordenaars van zijn ouders, bovendien zijn de plannen al door anderen bedacht. Het infame politieke klimaat in de stad, 'die onbewoonbaar is als de maan', ligt er nu juist in dat de politici hem misbruiken om foute plannen uit te voeren, omdat geen Duitser iets tegen A. die de rijke jood wordt genoemd durft te ondernemen: hij is immers onaanraakbaar, want jood, dus een wandelend taboe, want de personificatie van ongeveer alle naoorlogse Duitse trauma's.

De poëzie van het stuk Het vuil, de stad en de dood ligt in de liefdesgeschiedenis tussen deze twee, rechtstreeks of indirect door de oorlog beschadigde mensen. Ze gaan een relatie aan die platonisch is: ze vrijen niet, ze spreken slechts met elkaar -en ze hebben elkaar over hun wederzijdse beschadigingen heel veel te vertellen. De relatie tussen Roma B. en A. die de rijke jood wordt genoemd, is in directe zin de motor van dit inktzwarte grote-stads-sprookje: het zet enorm veel in gang.

Om te beginnen betekent de relatie tussen Roma B. en A. die de rijke jood wordt genoemd een definitieve verwijdering tussen Roma B. en haar levensgezel en pooier, Franz B. Die begrijpt niets van het eigenzinnige, onafhankelijke gedrag dat 'zijn hoer' opeens aan de dag gaat leggen, met de luxe en de weelde (bankrekeningen, auto's) waarin hij kan baden (A. die de rijke jood wordt genoemd betaalt Roma B. 'een rug' per gesprek) kan hij niet omgaan. Hij zoekt (uit wanhoop, in de war) een slachtoffer-rol in een wereld die hij totaal niet kent: de homo-scene: hij laat zich daar vrijwillig vernederen en misbruiken.

Omdat Roma B., door de omgang met de in hoog aanzien staande A. die de rijke jood wordt genoemd, opeens een prostitué van standing is geworden (van 'stoep-hoer' tot escort-dame) wordt ze ook door andere mensen van standing bezocht. Die gaan tegen haar praten, vertellen haar de verschrikkelijkste dingen, voor veel geld. Onder hen is de hysterische neo-nazi Hans von Gluck, die de gruwelijkste monoloog van het stuk uitspreekt. Daarenboven ontdekt Roma B. dat A. die de rijke jood wordt genoemd, óók een relatie met haar is aangegaan, om wraak te nemen op haar vader, Müller, van wie de rijke jood aanneemt dat deze verantwoordelijk is geweest voor de dood van zijn ouders, wat Müller overigens ontkent noch bevestigt. Roma B. raakt zodoende verstrikt in de stad die haar geen adem meer laat. Uiteindelijk kiest ze voor de dood, maar zelf heeft ze daartoe de kracht niet. A. die de rijke jood wordt genoemd biedt haar die dood door wurging, als een daad van liefde, waar hij overigens niet voor wil opdraaien, als zou het moord zijn geweest. En als er een moordenaar moet worden gevonden in de plaats van de rijke jood, dan wil de corrupte stad daar maar wat graag voor zorgen. Men creëert een slachtoffer/dader, die dat tóch al graag wilde zijn: Franz B.

 

De misverstanden

Het Fassbinderstuk Het vuil, de stad en de dood sleept een eigen geschiedenis achter zich aan, die al zevenentwintig jaren telt, de tijd tussen het moment van ontstaan van de tekst (voorjaar 1975) en nu. Die geschiedenis is overbeladen met woede, verdriet, protest, pleidooien voor én tegen het stuk, affiniteiten, extreme sympathiëen en zo mogelijk nog extremere antipathiëen. Voornaamste effect: het Fassbinderstuk is in Duitsland en in Nederland van de toneelplanken weg-gedemonstreerd. In Duitsland mag het nog altijd niet worden gespeeld. Kern van het vooroordeel, of zo u wilt het verwijt tegen het stuk: het zou antisemitisch zijn. Wanneer een denkbare definitie van antisemitisme luidt: het doelbewust, rationeel én emotioneel, oproepen tot haat tegen joodse individuen, tegen de joodse gemeenschap in de diaspora, én tegen de joodse staat Israël - dan is dit verwijt waarschijnlijk gebaseerd op een aantal misverstanden.

Misverstand 1. Een schrijver als Fassbinder, die in zijn toneelstuk een aantal antisemieten opvoert, zou zelf een antisemiet zijn. Dat misverstand komt voort uit onbegrip over het werk van een kunstenaar. Een kunstenaar heeft de keuze om van een taboe een vertelling te maken, en in die vertelling het taboe te problematiseren. Wanneer er in die vertelling antisemieten rondlopen, dan slaan die antisemieten vanzelfsprekend antisemitische taal uit - daar zijn het namelijk antisemieten voor, want in de werkelijkheid slaan ze die taal ook uit. Als de kunstenaar die deze taal opschrijft vervolgens wordt vereenzelvigd met de kwaadaardige teksten van deze antisemieten, dan wordt hij in feite monddood gemaakt. Hij mag dan namelijk nooit meer kwaadaardige personages met boosaardige teksten opvoeren. Met terugwerkende kracht kunnen we dan ongeveer tachtig procent van de wereldliteratuur op de vuilnisbelt gooien.

Misverstand 2. De antisemieten in het stuk van Fassbinder worden onvoldoende weersproken, ze krijgen geen weerwoord. Dat misverstand komt voort uit een onbegrip over hoe in een toneelstuk, breder gezien: in een kunstwerk, personages van repliek worden gediend. Dat gebeurt vrijwel altijd indirect. In een soapserie, of in een praatprogramma, worden foute argumenten direct weersproken: 'dat is niet waar', 'dat mag je niet zeggen'. In een toneelstuk, bijvoorbeeld in Het vuil, de stad en de dood van Fassbinder, worden de oude nazi en de neo-fascist indirect door Roma B. tegengesproken: in een lange monoloog vertelt ze dat ze in zo'n wereld niet meer leven wil. Haar zelfgekozen dood is een sterven door de stad die haar de adem beneemt, onder meer omdat griezels met foute verhalen en verkeerde opvattingen daar rondlopen.

Misverstand 3. De tegenstanders van Fassbinders stuk hebben het antisemitische karakter van de tekst voortdurend proberen aan te tonen door uit hun verband gerukte teksten te citeren, die, uit hun verband gerukt, inderdaad afschuwwekkend en verschrikkelijk zijn. Maar het is een misverstand om te denken dat je een kunstwerk kunt karakteriseren middels citaten. Het zal weinig moeite kosten om door middel van een aantal citaten uit Siegfried, de meest recente novelle van Harry Mulisch, aan te tonen dat Harry Mulisch een groot bewonderaar van Adolf Hitler is, terwijl iedereen weet dat een dergelijke bewering nergens op slaat.

Misverstand 4. A. die de rijke jood wordt genoemd, een belangrijk personage in Fassbinders Het vuil, de stad en de dood, zou naadloos beantwoorden aan de beelden en karikaturen van 'de jood' die in antisemitische kringen gangbaar zijn: rijk, gierig, op macht belust, over-potent, moordenaar. Het personage is, aldus de tegenstanders van het stuk, feitelijk een zeer onsympathiek, antisemitisch cliché van iédere jood. Dit misverstand berust op onbegrip over het ingewikkelde karakter van een toneelpersonage. Toneelpersonages zijn zelden rechtlijnig (áls ze dat wel zijn, zijn ze meteen ook heel saai en voorspelbaar). A. die de rijke jood wordt genoemd is om te beginnen inderdaad geen sympathieke of nobele jood. Hij verdient geld aan een stadsbestuur, is dus inderdaad rijk vanwege het feit dat het stadsbestuur hem tolereert, omdat ze denkt hem te moéten tolereren, juist omdat hij jood is, dus taboe, dus onaantastbaar - Fassbinder noemt dat 'infaam', omdat het meer zegt over dat stadsbestuur dan over A. die de rijke jood wordt genoemd. Gierig is hij niet - hij betaalt Roma B. per gesprek 'een rug' - wat gelijk staat aan duizend oude guldens. Op macht belust is A. die de rijke jood wordt genoemd bepaald niet - hij kijkt melancholisch toe hoe wordt toegestaan dat hij tegen de machtigen aanschurkt. Over-potent wordt de rijke jood alleen genoemd door ánderen, die bij die karakteristiek een direct belang hebben, bijvoorbeeld Roma B., die over de potentie van de rijke jood opschept om zich te verdedigen tegen haar agressieve partner. Moordenaar is A. die de rijke jood wordt genoemd niet, omdat Roma B. hem vraagt haar te doden - een daad uit liefde, zoals eerder gesteld.

 

Tot slot. De som van alle bovengenoemde misverstanden heeft van Fassbinders Het vuil, de stad en de dood een boosaardig, onspeelbaar, niet te handhaven toneeltekst gemaakt. Het antwoord op die som van alle misverstanden kan alleen maar zijn: een toneelvoorstelling. En precies dát is wat het Nationale Toneel, in de regie van Johan Doesburg, nú beoogt. Niets meer. En zeker ook niets minder.

Loek Zonneveld, dramaturg

Uit het programmaboek bij de voorstelling van Fassbinders 'Het vuil, de stad en de dood', het Nationale Toneel 2002-2003, regie: Johan Doesburg

 

Home