Lodewijk de Boer 1937-2004

 

 

De eerste theateravond die ik van Lodewijk de Boer zag was een tweeluik bij Toneelgroep Studio, de groep van Kees van Iersel die tussen 1960 en 1970 de (oude) Brakke Grond in de Amsterdamse Nes bespeelde. Darts en Lykensynode, twee eenacters uit 1967, opvoering in het voorjaar van 1968. Twee reconstructies van een gekte. Vooral Lykensynode herinner ik me heel goed. Een middeleeuwse paus heeft het lijk van zijn voorganger laten opgraven om 'hem' tijdens een rechtszitting met bedreven (of door zijn opvolger verzonnen) wandaden te confronteren. Midden in de voorstelling werd een film (van Frans Zwartjes) geprojecteerd, waarin de lijkontbinding van de paus gedetailleerd werd vertoond. Daarna zagen we het corpus delicti op de speelvloer, in mijn herinnering een verre echo van een schreeuwende katholieke prelaat uit een verontrustend schilderij van Francis Bacon. Ik was twintig en kersvers ex-katholiek. En ik smulde. Een jaar later zag ik in het zelfde theater Fernando Arrabals En zelfs de bloemen werden geboeid, Lodewijk de Boers fascinerende regie over martelingen en nachtmerries van politieke gevangenen in de Spaanse gevangenissen onder dictator Franco. Diens favoriete martelinstrument was de wurgpaal. Mensen die als stel naar de voorstelling kwamen, werden bij de ingang van de zaal (in een verduisterde slurf) door de acteurs in een wurggreep genomen, van elkaar gescheiden en afzonderlijk naar een zitplaats begeleid. Als het meezat kon je elkaar vanaf de balkons (de voorstelling speelde op de complete vloer van de Brakke Grond) toezwaaien. Bereiken kon je mekaar niet meer. Lodewijk de Boer was ongemakkelijk radicaal in zijn aanpak. De voorstelling, gespeeld op een lang plankier, met aan het ene uiteinde een kruisbeeld en aan het andere een wurgstoel, was overigens geniaal, onder meer door het ononderbroken zinderende ritme, opgezweepd door aan hysterie grenzende jazzy improvisaties op saxofoon of klarinet (Willem Breuker). Een jaar of zeven later speelde de groep Baal (artistiek leider: Leonard Frank) de muziektheatervoorstelling Orpheus (libretto en regie: Lodewijk de Boer, componist: Louis Andriessen). Studio was toen als gezelschap allang opgeblazen, Shaffy (nu Felix Meritis) werd in Amsterdam voor theaterliefhebbers the place to be. En Willem-Jan Otten schreef in Vrij Nederland over Orpheus: 'Lodewijk de Boer heeft zich over de genres verspreid'. Ik was die zin vergeten, iemand herinnerde me eraan. Lodewijk de Boer heeft zich over de genres verspreid. Zo veel méér waar is die zin over de theatermaker Lodewijk de Boer dan de cliché's in de necrologiën die bij zijn dood (juni 2004) verschenen: 'multitalent', 'schok voor de toneelwereld'. Lodewijk de Boer was een nihilistisch, stilistisch virus dat zich tussen de uiteenlopende genres in de podiumkunsten verspreidde. Met als epicentrum: de muziek.

Lodewijk de Boer was van oorsprong altviolist, hij is dat zijn hele leven gebleven - 'Als ik in mijn eentje zo'n beetje op die alt fiedel, vind ik werkelijk rust'. Hij speelde in de jaren zestig bij het Concertgebouworkest, in de achterste rijen van de strijkers, 'het voetvolk'. Zijn echte thuisbasis was het barokensemble Leonardt Consort van Gustav Leonardt. In een mooi interview dat Ischa Meijer in januari 1993 voor het Parool maakte, zegt Lodewijk de Boer: 'Misschien heeft Gustav Leonardt me in wezen wel de weg van het creatieve op gedirigeerd. In ieder geval is hij de enige in de muziekpraktijk die ik werkelijk bemin. Ik voel me ook echt zijn leerling. Ik sloeg ook altijd de blaadjes voor hem om, wanneer hij een nummertje solo op zijn klavecimbel speelde - Het Voorrecht van de Ware Leerling. En dan voelde ik me trots.' Leonardt was voor De Boer de echte leermeester, iemand die je niks probeert aan te leren. Zo doe ik het - en zie maar wat jij ermee wilt doen. Met die houding benaderde Lodewijk de Boer als regisseur ook zijn toneelspelers.

In 1963 begon De Boer te schrijven voor het studententoneel. Kees van Iersel, artistiek leider van Toneelgroep Studio, haalde hem naar het professionele theater. Daar begon zijn odyssee door het toneel, door het muziektheater, de opera, de performance. Bij zijn toneelprojecten waren er aan het begin vaak onaffe scripten. Op de vloer moest het verder worden uitgezocht. Waar de schrijver Lodewijk de Boer was uitgepraat, begon de regisseur Lodewijk de Boer. Hij maakte zogeheten hits, zoals de eerste (uiteindelijk vijfdelige, tegen het eind een tikje uitgemolken) toneelfeuilleton op de Nederlandse plankieren, The Family, ook verfilmd.

Wars van een-op-een psychologie was hij, 'plottenbakkers' (de term is overigens van Gerardjan Rijnders) als Henrik Ibsen vond-ie tien keer niks. Hij zag in die stukken alles al van te voren aankomen en dan interesseerde het hem geen barst meer. Zijn eerste indringende toneelervaringen maakte Lodewijk de Boer mee in Japan, op toernee met het Concertgebouworkest. Al zijn vrije uren zat hij daar bij voorstellingen van het Noh-theater, abstract en mythisch toneel waar zelfs de Japanners niks meer van begrepen. Lodewijk de Boer: 'Ik snapte het meteen. Dit is muziek. Hét antwoord op de westerse psychologie, die moord-met-voorbedachte-rade op de mythe. Noh is mythe. Dát wilde ik ook'.

Lodewijk de Boer is blijven zwerven. Hij zag de talloze gezelschappen en losse formaties waarmee hij werkte als orkestjes waar hij af en toe wel mee wilde spelen. En dan snel weer weg. Nooit ergens thuis, nooit ergens vast. Hij werkte graag in het buitenland, Zweden met name, waar hij de taal niet beheerste, met handen en voeten moest regisseren, aan het eind van een moeizame repetitie met een grote glimlach fuck you tegen zijn acteurs kon zeggen. Hij zal altijd met zijn grootste publiekssucces, The Family, geassocieerd blijven worden. Het was ook zijn internationale doorbraak, anarchistisch outcast-theater, ver voor de Mark Ravenhills. Ik betwijfel of hij herinnerd wil blijven worden als de schrijver van die feuilleton. Hoewel, 'herinnerd blijven worden' - Lodewijk de Boer was daar volgens mij te nuchter (zijn Friese stiefvader Douwe de Boer) en te woedend (zijn kwaaie Surinaamse moeder Agnes Lichtveld) voor. Toen ik in de weken na zijn dood De Boers stukken herlas, keerde ik steeds weer terug bij wat hij - vermoed ik - zelf als zijn magnum opus beschouwde: De Buddah van Ceylon, in eerste instantie geschreven voor een theater in Stockholm, daarna in Nederlandse première gebracht in theater De Appel, februari 1991. Het is een verontrustend stuk, speelt zich af in een derde wereldland in postkoloniale stress, op de rand van het einde van de tweede wereldoorlog. Er loopt een joodse altviolist in rond, Alban Zadok, een monument voor én hommage aan een violist die woonde in het Amsterdamse hofje waar Lodewijk de Boer lange tijd een atelier had. Zadok is in Amsterdam zijn arrestatie ontlopen door tegen de dienstdoende 'Duitse middenstander in uniform', tijdens het overhandigen van zijn 'van a tot z vervalste Ausweis', een thema uit Wagners Siegfried te fluiten. Hij mag doorwandelen: 'Ein Mensch der Wagner pfeift kann kein Jude sein.' Het aantal homerische lachsalvo's bij herlezing van deze toneeltekst ligt ongeveer een-op-iedere-tekstkolom. Dat zijn overigens wel grimlachen. Als de ambassade waar Alban Zadok tijdelijk asiel heeft gekregen, na een postkoloniale revolutie is veranderd in een veldhospitaal en martelcentrale, spreekt de altviolist een typische Lodewijk de Boer-monoloog: 'Hoe staat het eigenlijk met de diplomatieke onschendbaarheid van deze ambassade? Zijn we hier veilig of kunnen we ieder moment weggehaald worden. Moet ik m'n jodenster uit de koffer halen of is het beter een zwarte-pieten-masker op te zetten? Ik bedoel, hoe liggen de rassenverhoudingen op het moment?'

Tegen het eind van dit stuk wil Alban Zadok niet meer spelen, alleen nog maar schrijven - hij hakt de vingers van zijn altviool-speelhand, zijn linkerhand af - zijn kostbare altviool wordt ondertussen door de fascist Prager teruggebracht naar het Duizendjarige Avondland, samen met zijn vriendin. Alban: 'De rechterhand schrijft, de linker rust, voor altijd geschonden, op het tafelblad. Uit de verte klinkt muziek.'

Misschien moeten jonge regisseurs en acteurs De Buddah van Ceylon nog maar eens herlezen. In een nabije toekomst wellicht. Het zal ze verbazen. En het zal ze hoe dan ook meerdere sleutels opleveren voor een rijk, zeer rijk toneeloeuvre.

Au revoir Lodewijk de Boer!

Loek Zonneveld

 

 

Theater Maker (TM), najaar 2004

 

Home