'Lachen mag nog van God' - het proces tegen Galileo Galilei

 

 

Het is het meest beschreven 'proces' uit de geschiedenis van het Avondland: de Roomskatholieke kerk, meer in het bijzonder, de Inquisitie-kardinalen van Het Heilig Officie, versus de natuurkundige Galileo Galilei. De theatraal opererende geleerde moest uiteindelijk zijn slimme hoofd buigen. Maar niet voordat het college van kerkgeleerden een arsenaal aan vervalste documenten en gerechtelijke dwalingen uit de Vaticaanse kasten trok.

Voorjaar 1633. Een reconstructie.

 

- door Loek Zonneveld

 

Het corpus delicti: dat vermaledijde, onontkoombare, want briljant geschreven boek van Galileo Galilei, Dialogo, een niet in wetenschapslatijn maar in de volkstaal (Italiaans, dus breed toegankelijk, dus gevaarlijk) geschreven serie discussies tussen drie geleerden, over de dansant om haar eigen as draaiende, dan wel superieur maar onbeweeglijk in het centrum der planetaire sferen gelegen Moeder Aarde. Op de laatste dag van april 1633 is de wereldberoemde geleerde van de weeromstuit schoorvoetend zélf om z'n eigen as gaan draaien. Hij had de nacht daarvoor, zo verklaart hij in het proces-protocol, zijn eigen boek nog maar weer eens herlezen. 'Doordat ik het zo lange tijd niet had gezien, deed het zich aan mij voor als een nieuw boek, geschreven door iemand anders. Ik moet eerlijk bekennen dat het mij op verschillende plaatsen zodanig voorkwam, dat een lezer die niet van mijn werkelijke bedoelingen op de hoogte was, reden zou kunnen hebben te veronderstellen, dat de argumenten die voor de verkeerde zijde worden aangevoerd, en die ik juist had willen weerleggen, met zoveel bewijskracht waren geformuleerd dat ze veeleer bedoeld leken om overtuiging af te dwingen, dan dat ze eenvoudig konden worden ontzenuwd.'

'De verkeerde zijde' waarover Galilei hier spreekt, is de ketterse kant die de inquisitie-ambtenaren in hem naar boven proberen te peuteren: de verdediging van de leer van Copernicus, die stelt dat de aarde niet het stabiele centrum van het heelal is, maar een 'gewone' planeet die, als alle andere, om haar eigen as én om de zon draait. De tactische verdedigingszet die Galilei op 30 april 1633 doet, komt kortweg op het volgende neer: misschien ben ik voor de onwetende lezer in mijn boek Dialogo iets té voortvarend in de weer geweest die Copernicaanse leer ('van de verkeerde zijde') goed uit de doeken te doen. Galilei: 'Mijn fout, en dat beken ik, is ijdele eerzucht, zuivere onwetendheid en slordigheid geweest.'

Er moeten, zo veronderstel ik, een paar inquisitie-ambtenaren op dat moment naar adem hebben gehapt. Wat is dit? Een strategische meesterzet van een beroepsschaker? Of een verkapte bekentenis? Ze weten het even niet meer. Galilei wordt weggestuurd.

Het procesdossier vermeldt vervolgens een komisch en veelzeggend incident. Even later steekt Galileo Galilei zijn hoofd opnieuw om de deur van de verhoorzaal. Hij vraagt toestemming om zijn goede wil te tonen. Mag hij wellicht nog een paar hoofdstukken aan zijn boek Dialogo toevoegen? 'Misschien kan ik dan de Copernicaanse, ketters bevonden, leer zó doeltreffend weerleggen als Gods genade mij toelaat. Daarom smeek ik dit Heilige Tribunaal mij met dit goede voornemen te helpen en mij in staat te stellen het ten uitvoer te brengen.'

Eén ding moet op dat moment de inquisitie-verhoorders van Het Heilig Officie volkomen helder zijn geweest: Galilei is hier niet zozeer bezig het eigen vege lijf, alswel de reputatie van zijn boek Dialogo te redden, te voorkomen dat dit boek op de lijst van door de kerk officieel verboden werken (Index) komt te staan. Ze sturen Galilei opnieuw weg, naar de Romeinse ambassade van Toscane, Villa Medici, alwaar ambassaseur Niccolini vaststelt: 'De arme man is meer dood dan levend teruggekeerd.' In de besloten vergadering van Het Heilig Officie wordt de beslissing omtrent Galilei ondertussen voor de zoveelste keer uitgesteld. Gevangenneming en marteling van de bijna zeventigjarige geleerde worden nu echter ernstiger overwogen dan in de maanden hiervoor.

Galileo Galilei lijkt voor de zoveelste keer voor even door het oog van de naald te zijn gekropen. En zijn voornaamste tegenstander, Paus Urbanus VIII, de voormalige kardinaal Maffeo Barberini (een ex-natuurkundige, en in die hoedanigheid ooit fervent aanhanger van Galilei's opvattingen), bijt 's nachts in het pauselijke zomerverblijf Castelgandolfo voor de zoveelste keer in zijn doorluchtig kussen. Galilei ís en blíjft een nachtmerrie voor de beheerder van Petrus' Heilige Stoel, centrum van de per Vaticaans decreet onbeweeglijk in het midden van het heelal vastgespijkerde Heilige Moeder Aarde.

* * *

Tot diep in de zestiende eeuw was er eigenlijk niets aan de hand geweest: de christelijke beeldvorming over de constructie van het heelal greep terug op de inzichten van de laat-antieke astronoom Ptolemaeus (87-165 voor Christus), een geocentrisch wereldbeeld. Om de aarde heen draaien in complexe, maar vaste banen (of 'sferen') de planeten: allereerst de Zon (in een regelmatige cirkelbaan), daarna (in veel complexere banen) resp. Mars, Jupiter, Saturnus, dan (opnieuw in een regelmatige cirkelbaan) de Maan, en tenslotte, in grote, weer zeer complexe banen: Mercurius en Venus. In 1543 publiceerde de Oostpruisisch/Poolse astronoom Nicolaus Copernicus een boek waarin dit wereldbeeld radicaal op zijn kop werd gezet, 'Over de omwentelingen der hemellichamen', (De revolutionibus orbium coelestium), een heliocentrisch (zon in het centrum) concept van het heelal. Aangepakt werd de man niet, Copernicus kon immers niks bewijzen en stierf in hetzelfde jaar. Ook de Duitse wiskundige Johannes Kepler, die met een telescoop elliptische banen in de beweging van planeten ontdekte, bleef ongemoeid. Pas toen er 'Copernicanen' in de achtertuin van het Vaticaan begonnen te opereren, werd de Heilige Stoel alert. De Italiaanse natuurfilosoof Giordano Bruno, die het heelal als een spookachtige oneindigheid beschreef, werd zeven jaar door de Roomskatholieke 'geheime dienst', de Inquisitie, gevangen gehouden, en in 1600 op Campo dei Fiori in Rome als ketter verbrand. Nauwelijks acht jaar later vervolmaakte de Toscaanse natuurkundige Galileo Galilei een, oorspronkelijk uit Holland afkomstige, telescoop en deed daarmee binnen korte tijd enkele opzienbarende ontdekkingen: de zgn. 'zonnevlekken' (waarmee hij aantoonde dat de zon zelf maandelijks om haar as draait) en de manen van Jupiter. Zijn publikaties daarover (waaronder Sidereus Nuntius, 'Sterrenbode') oogstten grote waardering (ook in kringen van de kerk) en Galilei werd in 1611 lid van het gezaghebbend wetenschapscollege Academia dei Lincei. Er leek niets aan de hand: Galilei's werken stonden nog altijd niet op de wereldomspannende lijst van verboden boeken, de index librorum prohibitorum, die de Romeinse Inquisitie sinds 1559 om de zoveel tijd publiceerde.

Maar in 1616 ging het mis.

In dat jaar publiceerde Galilei zijn Verhandeling over de getijden (eb en vloed), waarin hij de wateren van de wereld vergeleek met een bewegend schip, een reusachtige kuip vol water, die eens per etmaal om zijn eigen as draaide en eens per jaar de zon omcirkelde. Die combinatie van twee ('copernicaanse') bewegingen verklaarde - aldus Galilei - alle getijden, iedere beweging van eb en vloed. In feite kwam Galilei in Verhandeling over de getijden niet verder dan dat hij de getij-bewegingen niet kon verklaren zonder de aarde te laten bewegen, wat nog niet een overtuigend bewijs was van het feit dat de aarde ook daadwerkelijk bewoog. Hij maakte zich door dit gegoochel met onbewijsbare aannames bijzonder kwetsbaar, en wekte bovendien irritatie bij de theologen. Paus Paulus V zette zijn voornaamste raadgever in geloofskwesties op de zaak, kardinaal Roberto Bellarmino, een jezuïet met gezag, chef-inquisiteur in het proces tegen Giordano Bruno.

Bellarmino koesterde een grote eerbied voor het wetenschappelijke werk van Galilei, maar verschilde met hem op één cruciaal punt van opvatting: de natuurkundige zou het copernicaanse model teveel behandelen als een reëel scenario en niet als een wetenschappelijke hypothese. En dat was een brug te ver, aangezien wetenschappers, in de ogen van de inquisitie-kardinaal, niet in de wieg waren gelegd om de bijbel opnieuw uit te leggen. En in de bijbel staat onweerlegbaar dat de zon rond de aarde draait. Daartoe werd regelmatig teruggegrepen naar de woorden van de profeet Salomo, en naar een beroemde passage uit het Boek van de Rechtvaardige (Oude Testament), Jozua hoofdstuk tien: 'Op die dag, toen de HEER de Amorieten aan de Israëlieten uitleverde, heeft Jozua tot de HEER gesproken en hij heeft gezegd: "zon, sta stil boven Gibeon, en jij maan boven Ajjalons dal". En de zon stond stil, en de maan bleef staan, terwijl het volk zijn vijand afstrafte.'

Op 24 februari 1616 vergaderden de kardinalen van Het Heilig Officie (de Inquisitie) over twee gewraakte stellingen van Copernicus en de 'copernicanen:

1. de zon is het middelpunt van de wereld en komt derhalve niet van haar plaats;

2. de aarde is niet het middelpunt van de wereld, noch is zij onbeweeglijk, maar zij beweegt als geheel en met een dagelijkse beweging.

De eerste stelling werd door de Inquisitie als 'formeel ketters', de tweede als een 'geloofsdwaling' betiteld. Twee dagen later, op 26 februari 1616 werd Galileo Galilei door twee officieren van de Inquisitie naar het paleis van kardinaal Bellarmino gebracht. Deze gelastte de geleerde de twee gewraakte stellingen van Copernicus niet langer als feit te verdedigen. Van deze ontmoeting bestaat geen verslag. Drie maanden later bevestigde kardinaal Bellarmino per brief (26 mei 1616), dat Galilei formeel was meegedeeld dat hij de ketterse stellingen van Copernicus niet langer mocht verdedigen of aanhangen. Zou hij zich aan dat gebod houden, dan zouden de kerkelijke instantie de geleerde geen haar krenken.

Einde verhaal. Galilei ging over tot de wetenschappelijke orde van de dag (studie van 'valwetten', herijking van Archimedes' stellingen). Hij mocht de manen van Jupiter, de getijdenbewegingen van de Middellandse Zee, en de zonnevlekken nog wel bestuderen, maar de achterliggende 'copernicaanse' overwegingen niet meer publiceren. Zijn wetenschappelijke avonturen waren tijdelijk gemuilkorfd.

* * *

In 1623 stierf paus Paulus V. De Heilige Stoel werd bezet door kardinaal Maffeo Barberini (Urbanus VIII), een voormalig natuurkundige. Eén jaar later kreeg Galilei een persoonlijke audiëntie bij de nieuwe paus, een bijeenkomst die hij als stimulerend, zo niet uitnodigend beschouwde - een fatale inschattingsfout, zoals later zou blijken. Vrijwel onmiddellijk zette de Toscaanse geleerde zich aan het schrijven van wat zowel zijn meesterwerk, als de directe aanleiding voor zijn 'val' zou worden, de Dialogo, volgens het titelblad van de eerste druk (1632) een samenspraak over 'de beide Voornaamste Wereldstelsels, dat van Ptolemaeus en dat van Copernicus, en waarin, op niet doorslaggevende wijze, de filosofische en natuurkundige argumenten zowel voor de ene kant als voor de andere te berde worden gebracht.'

Een meesterzet. Galilei kende de dialoogstijl goed - hij had voor familie en vrienden enkele toneelstukken geschreven. Behalve een intrigerende vorm om wetenschappelijke vraagstukken te presenteren, bood de dialoog Galilei een effectieve bescherming. Hij legde de tekortkomingen van Ptolemaeus en de verdiensten van Copernicus in de monden van personages - als schrijver genoot hij de veilige afstand van de beschouwer. De Dialogo werd gegoten in de vorm van een geanimeerd gesprek, vier dagen lang, een toneelstuk in vier bedrijven. De optredende personages waren drie goede kennissen: Salviati was een nauwelijks verhuld alter ego van Galilei zelf, Sagredo een bemiddelende en ontvankelijke man, Simplicio een breedsprakige aristotelische filosoof, wiens naam leek afgeleid van de volkse scheldnaam sempliciotto ('simpelmans'). Galilei schreef de Dialogo in het Italiaans, dus voor een groot publiek, vijfhonderd pagina's briljant proza, volgens tijdgenoten 'beurtelings poëtisch, didactisch, eerbiedig, strijdlustig en geestig', een uitdaging om listig voor Copernicus te pleiten, zonder de kerk tegen de haren in te strijken.

Met een zekere regelmaat onderbrak Galilei in zijn Dialogo de bewijsvoering voor de stellingen van Copernicus, door op zijn eigen onpartijdigheid te wijzen. 'In onze discussies vertolk ik de rol van Copernicus, en draag ik míjn masker', verklaart Galilei's alter ego Salviati aan zijn twee gesprekspartners. En dan: 'Ten aanzien van de inwendige effecten die de argumenten welke ik ten gunste van hem (Copernicus) aandraag, op mijzelf (Salviati/Galilei) kunnen hebben, is het mijn wens dat u zich laat leiden door hetgeen ik te berde breng, niet wanneer wij ons toneelstuk vol vuur op de planken brengen, maar nadat ik mij weer in mijn eigen kleren heb gestoken, want wellicht zult u mij dan anders beoordelen dan toen u mij op de speelvloer zag.' Lees maar, er staat niet wat er staat. Zie maar, ik ben niet wie ik speel. De kerkelijke beoordelaars van het manuscript (die in 1632 moesten beslissen over het imprimatur, 'het worde gedrukt') moeten er tureluurs van geworden zijn. Maar de toestemming kómt er, het boek wordt met de zegen van boven gedrukt (niet in Rome maar in Florence), een pestepidemie voorkomt een ingreep van de Inquisitie (het in beslag nemen van de complete oplage), en in het najaar van 1632 ziet de gewezen progressieve natuurkundige, kardinaal Maffeo Barberini, nu paus Urbanus VIII, zich opeens geconfronteerd met een tijdbom, die op een wel zeer ongunstig tijdstip tot ontploffing wordt gebracht.

De paus zit tot over zijn oren in een penibele oorlog, de Dertigjarige, begonnen tussen de Duitse katholieken en protestanten, ondertussen uitgebreid naar Frankrijk, Spanje, Denemarken, Zweden, Polen, Transsylvianië en Turkije. Paus Urbanus VIII had op een nogal onhandige manier partij gekozen (voor Frankrijk, waar hij veel vrienden en derhalve belangen had), en daardoor had hij zich de haat van het binnen de kerk (het college van kardinalen) machtige Spanje op de hals gehaald. Urbanus klaagde dat hij zó benauwd was voor Spaanse spionnen aan het Vaticaanse hof, dat hij in zijn eigen wandelgangen nog slechts durfde fluisteren. Tot overmaat van ramp spuwde begin 1632 de Vesuvius vuur, dood en verderf over Napels, en bracht de oorlog in Noordeuropa een verschrikkelijke pestepidemie naar Italië. Paus Urbanus VIII moest derhalve in 1632 de progressieve kardinaal, die hij ooit geweest was, smoren in een hard optreden tegen ieder ketters geluid.

En de Dialogo van Galileo Galilei vertegenwoordigde zo'n ketters geluid.

In augustus 1632 stelde Urbanus allerijl een commissie in, om de tekst van de Dialogo te laten analyseren. Op grond van het commissie-rapport werd bevolen dat de verkoop van het boek moest worden gestaakt (de eerste druk van de Dialogo was toen allang uitverkocht), en op 1 oktober werd de auteur per decreet van Het Heilig Officie bevolen naar Rome te komen. Met grote vertraging (wegens ziekte) vertrok Galileo Galilei op 20 januari 1633 per draagstoel naar Rome. Door allerlei quarantaine-maatregelen (vanwege de pest) bereikte hij de Eeuwige Stad pas op 13 februari. Hij moest daar nog twee maanden in de Toscaanse ambassade (Villa Medici) wachten, vóór het proces op 12 april 1633 daadwerkelijk begon.

* * *

In eerste instantie is Galilei verhoord door twee ambtenaren ('officiaals') van de Inquisitie, en een griffier - de tien kardinalen van Het Heilig Officie (en paus Urbanus VIII) bleven op de achtergrond, maar namen wel dagelijks kennis van de protocols en procesverslagen. Al vrij snel kreeg Galilei een vervalst document voorgelegd. Als zou hij in 1616, tegenover de (ondertussen overleden) kardinaal Groot-Inquisiteur Bellarmino, niet alleen de facto afstand hebben genomen van de twee centrale copernicaanse stellingen (zon staat stil, aarde beweegt), maar bij die gelegenheid ook zou hebben beloofd dat hij deze stellingen 'nooit meer, op generlei wijze zou onderwijzen', dus: als wetenschappelijke hypothese te berde zou brengen. Galilei ontkende tijdens het verhoor in 1633 dat hij zo'n belofte zou hebben ondertekend, de ambtenaren konden alleen maar een niet ondertekend stuk terzake produceren. Verwarring alom!

Galilei's aanklagers stonden met de mond vol tanden. Waarom moesten ze opereren zonder officiële documenten? Hoe kon Galilei's Dialogo ooit de Vaticaanse censuur zijn gepasseerd? Inderhaast zette Het Heilig Officie een commissie van nieuwe theologen op de zaak. Hun rapport was vernietigend: 'Galilei schrijft in het Italiaans. Zeker niet om vreemdelingen of andere geleerde lieden de hand te reiken, maar juist om de gewone mensen, bij wie dwalingen heel gemakkelijk wortel schieten, tot die opvatting te verlokken. Aangezien hij iedereen die geen aanhanger van Copernicus is, de oorlog verklaart en als geestelijk minderwaardig beschouwt, is het zonneklaar waar zijn gedachten naar uitgaan.'

We schrijven eind april 1633. Op dat moment doet Galilei zijn hier eerder vermelde voorstel: een paar hoofdstukken aan zijn boek toevoegen, waarmee de verdediging van de leer van Copernicus zou worden afgezwakt (en een herdruk van de Dialogo zou worden veilig gesteld). Paus Urbanus, steeds woedender over Galilei's gewraakte boek, onder meer omdat hem wordt ingefluisterd dat het erin optredende personage van Simplicio eigenlijk een alter ego van Zijne Heiligheid zou zijn, laat de kwestie nog twee maanden op de ontknoping wachten. Op 16 juni 1633 zit Urbanus VIII een vergadering van de kardinaal-inquisiteurs voor. Na die vergadering staat het vonnis vast. Op 22 juni komen de kardinaals, met de verdachte, bijeen in het in het centrum van Rome gelegen dominicaner klooster Santa Maria Sopra Minerva. Het boek Dialogo di Galileo Galilei wordt verboden. Galilei wordt voor onbepaalde tijd gevangen gezet (later omgezet in huisarrest). Drie jaren lang zal hij wekelijks de zeven boetepsalmen moeten reciteren. Galilei dient een afzweringstekst, waarin hij verklaart nooit meer een copernicaanse stelling te verdedigen of te onderwijzen, luidop te reciteren, en toe te staan dat die tekst door de kerk overal in Italië en Europa zal worden gepubliceerd.

Er is beweerd dat Galilei, na deze geknield ondergane vernedering, overeind kwam en in zijn baard mompelde 'Eppur si muove' ('En toch beweegt zij'). Zeer waarschijnlijk is dat niet. Galilei keek wel uit! In de zomer van 1633 ontstond er een zeer levendige zwarte handel in nog beschikbare exemplaren van de Dialogo, de prijs steeg binnen één maand van een halve scuodo tot zes scuodi. In 1635 verscheen de Latijnse vertaling van de Dialogo bij Elzevier in Leiden, in 1661 verscheen een Engelse versie. Toen de geschriften van Copernicus door de Romeinse Inquisitie in 1757 van de Index werden gehaald, bleef Galilei's Dialogo verboden. Dat verbod werd pas in 1835 opgeheven.

In 1992 onderschrijft paus Johannes Paulus II publiekelijk de filosofie van Galileo Galilei. Hij merkt op 'hoe verstandelijk begrip, aangereikt door de wonderbaarlijke ontdekkingen van wetenschap en technologie, ons bij uiteindelijke analyse tot die transcedentale, fundamentele Gedachte brengt, waar alle dingen van zijn doordrongen.' Het Vaticaanse oordeel uit 1633 laat zich, aldus de kerkvorst uit 1992, verklaren als 'een tragisch, wederzijds misverstand tussen de wetenschapper uit Pisa en de rechters van de inquisitie.'

Drie jaar later, in 1995, bereikt het NASA-ruimtevaartuig Galileo de planeet Jupiter.

 

De wetenschapsfilosoof Paul Feyerabend, noemt in zijn boek Against Method, 'In strijd met de methode - aanzet tot een anarchistische kennistheorie' (uit 1975), Galileo Galilei een dadaïst onder de wetenschappers: 'Totaal niet onder de indruk van welke serieuze onderneming dan ook. Hij ruikt lont zodra men ophoudt met lachen en een houding en gezichtsuitdrukking aanneemt die erop wijst dat er iets belangrijks op komst is. Een dadaïst is ervan overtuigd dat het leven pas de moeite waard wordt wanneer we, om te beginnen, de dingen eens wat luchtiger gaan zien. Volgens mij is dat de werkelijke lijn die door Galilei werd gevolgd. Hij speculeerde met zoveel stijl, gevoel voor humor, soepelheid en elegantie, alsmede met een scherp oog voor de waardevolle zwaktes van het menselijke denken, dat hij op dat vlak nooit geëvenaard is in de geschiedenis van de wetenschap.' Niet eens moedig, maar wel altijd brutaal, trok Galilei met die houding een lange neus naar de kerkelijke dogma's. Of zoals Annie M.G. Schmidt het later zou samenvatten: 'Lachen mag nog van God'.

De Groene Amsterdammer, 2002

Home